IEF 19202

Oma moet foto’s van sociale media verwijderen

Rechtbank Gelderland 13 mei 2020, IEF 19202, IT 3133; ECLI:NL:RBGEL:2020:2521 (Foto’s kleinkinderen) Eiseres is de dochter van gedaagde. Vanwege een ruzie hebben partijen al ruim een jaar geen contact meer met elkaar. Eiseres heeft drie minderjarige kinderen. Ze heeft samen met haar ex-partner het gezamenlijke ouderlijk gezag over het oudste kind en zij heeft als enige het ouderlijk gezag over de twee jongste kinderen. Het oudste kind heeft een aantal jaren bij zijn grootouders in huis gewoond. Daarna is hij bij zijn vader gaan wonen. De oma plaatste in die tijd – maar ook daarna – foto’s van haar kleinkinderen op Facebook. Eiseres stelt dat zij en haar ex-partner geen toestemming hebben gegeven en sommeerde via een advocaat haar moeder om de geplaatste foto’s van haar kinderen op Facebook te verwijderen. De vraag is dus of oma gehouden is om de foto’s van de kinderen van eiseres van social media te verwijderen.

Op last van een dwangsom is bepaald dat de foto’s van het internet moeten, omdat niet gebleken is dat de vrouw de foto’s slechts gebruikt voor een zuiver persoonlijke activiteit. Verder is het onduidelijk in hoeverre zij haar Facebook-account had afgeschermd voor derden en is onduidelijk of de foto’s via een zoekmachine te vinden zijn. Daarnaast is bij Facebook niet uit te sluiten dat geplaatste foto’s verspreid kunnen worden en in handen van derden kunnen komen. De AVG en Uavg zijn dan ook van toepassing. In de UAVG is bepaald dat voor het plaatsen van foto’s van minderjarigen, die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger(s) is vereist. Daarnaast is overwogen dat oma geen nieuwe afbeeldingen van haar kleinkinderen op social media mag plaatsen zonder toestemming. Haar emotionele band met het oudste kind leidt niet tot een ander oordeel.

4.5. De Algemene Verordening Gegegevensbescherming (hierna: AVG) beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van de persoonsgegevens. Deze verordening is echter niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit. Hoewel niet uit te sluiten valt dat het plaatsen van een foto op een persoonlijke Facebookpagina onder een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit valt, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende vast komen te staan hoe [gedaagde] haar Facebook-account dan wel haar Pinterst-account heeft ingesteld dan wel afgeschermd. Ook is onduidelijk of de foto’s via een zoekmachine zoals Google te vinden zijn. Daarnaast is bij Facebook niet uit te sluiten dat geplaatste foto’s verspreid kunnen worden en in handen van derden kunnen komen. Gelet op deze omstandigheden is in het bestek van dit kort geding niet gebleken dat van een uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit van [gedaagde] sprake is. Dit betekent dat de bepalingen van de AVG en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: UAVG) op het onderhavige geschil van toepassing zijn.

4.6. In de UAVG is bepaald dat voor het plaatsen van foto’s van minderjarigen, die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger(s) is vereist. Vaststaat dat de minderjarige kinderen van [eiseres] jonger zijn dan 16 jaar en dat [eiseres] als wettelijk vertegenwoordiger geen toestemming aan [gedaagde] heeft gegeven om foto’s van haar kinderen op social media te plaatsen. In het geval van [kind 1] geldt dat ook zijn vader daarvoor geen toestemming aan [gedaagde] heeft verleend. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordelen om de foto van [kind 1] op Facebook en de foto van [eiseres] en haar kinderen op Pinterest te (laten) verwijderen. Daarnaast zal [gedaagde] worden verboden om zonder toestemming (als bedoeld in de AVG en UAVG) nog foto’s van de minderjarige kinderen van [eiseres] op social media te plaatsen. Het emotionele belang van [gedaagde] om foto’s op social media te mogen plaatsen, kan in dit kader niet tot een ander oordeel leiden.