IEF 18979

Mobiel kunstwerk Soesterberg mag verplaatst worden

Vrz. Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2019, IEF 18979; ECLI:NL:RBMNE:2019:6198 (Kunstenaar tegen Provincie Utrecht en Utrechts Landschap) Op de (voormalige) vliegbasis Soesterberg staat sinds 2013 een kunstwerk in één van de loodsen. Het betreft een sculptuur dat kan rondrijden. Bovendien bevat het een vergaderruimte. Sinds 2017 is Utrechts Landschap eigenaar van de loods en wil deze per 1 januari 2020 verhuren. Provincie Utrecht is eigenaar van de mobiele sculptuur en wil deze onderbrengen in een andere loods op de vliegbasis. De kunstenaar verzet zich hiertegen en meent dat is overeengekomen dat het kunstwerk permanent tentoongesteld zou worden. Hij vordert een voorlopige voorziening strekkende tot het behoud van de bestaande situatie op grond van inbreuk op de hem toekomende persoonlijkheidsrechten. Provincie Utrecht stelt dat er slechts voor vijf jaar een inspanningsverplichting gold. De eerste vraag is of de loods onderdeel uitmaakt van het kunstwerk. Dit wordt bevestigend beantwoord. De kunstenaar heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog steeds een inspanningsverplichting tot instandhouding van het kunstwerk rust op de Provincie Utrecht. Zijn vorderingen worden afgewezen. 

2.11. Vervolgens ligt ter beoordeling voor of in zodanige mate aannemelijk is dat de vorderingen van [handelsnaam] in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen, dat daarop in dit kort geding mag worden vooruitgelopen. Het is aan [handelsnaam] om daar voldoende feiten en omstandigheden voor aan te voeren. De voorzieningenrechter acht de kans dat een bodemrechter tot toewijzing van zijn vorderingen zal beslissen op dit moment onvoldoende. De vorderingen zijn in de kern namelijk gebaseerd op de stelling dat op de Provincie Utrecht c.s. als eigenaar van het kunstwerk (nog steeds) een inspanningsverplichting tot instandhouding van het kunstwerk rust en die stelling heeft [handelsnaam] in het licht van de gemotiveerde betwisting door Provincie Utrecht c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat maakt dat de vorderingen van [handelsnaam] moeten worden afgewezen. Als die verplichting op grond van de met [handelsnaam] gemaakte afspraken niet meer op Provincie Utrecht c.s. rust, zoals zij stelt, staat het haar namelijk in beginsel vrij om te beslissen over het al dan niet laten voortbestaan van het kunstwerk en komt [handelsnaam] geen beroep meer toe op schending van zijn persoonlijkheidsrechten, misbruik van recht of wanprestatie door Provincie Utrecht c.s. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.

2.25. Dit alles wijst erop dat met alle kunstenaars van de kunstwerken van collectie De Basis een inspanningsverplichting tot instandhouding van maximaal vijf jaar is afgesproken en dat deze termijn voor wat betreft het kunstwerk niet is verlengd. Dat dit in de contacten tussen Vrede van Utrecht en Provincie Utrecht c.s. ook steeds zo is besproken, is door [handelsnaam] ook erkend.

2.30. Tot slot is van belang dat op grond van de bepaling over de vijfjaarstermijn op Provincie Utrecht c.s. nog wel de verplichting zou voortvloeien om na afloop van die termijn te beoordelen in hoeverre het kunstwerk nog aan de uitgangspunten voldoet en de kunstenaar daarbij te betrekken. Provincie Utrecht c.s. heeft voldoende aangetoond dat zij aan die verplichting heeft voldaan, zodat haar in dat verband niets te verwijten valt.