IEF 19211

Mijlpaalarrest: NOS tegen KNVB

HR 23 oktober 1987, IEF 19211, ECLI:NL:HR:1987:AD0055 (NOS tegen KNVB) De KNVB organiseert de nationale competitie, de bekercompetities en overige wedstrijden van het betaald en amateurvoetbal bij de als leden bij hem aangesloten clubs. De NOS verzorgt onder meer driemaal per week (met uitzondering van de periode in de zomer omdat dan de voetbalcompetitie stil ligt) een radioprogramma, getiteld "Langs de Lijn". Op zondagmiddag wordt dit programma van 14.00 tot 18.00 uur uitgezonden. Van een keur aan sportevenementen, waaronder wedstrijden van het betaald voetbal, wordt dan verslag gedaan. Op grond van de bestaande overeenkomst tussen partijen worden van deze voetbalwedstrijden na het eerste halfuur flitsen van ten hoogste 90 seconden uitgezonden. Wanneer zich in een dergelijke wedstrijd een spannend moment voordoet, wordt een flits direct uitgezonden.

De KNVB heeft primair een verklaring voor recht gevorderd dat hij als organisator van de voetbalwedstrijden gerechtigd is zich te verzetten tegen uitzending van reportages per televisie of radio van die wedstrijden, althans dat hij gerechtigd is voor zijn toestemming tot uitzending een vergoeding te verlangen, alsmede dat de NOS onrechtmatig handelt door zonder toestemming die reportages uit te zenden. Subsidiair heeft de KNVB een verklaring voor recht gevorderd dat de bij hem aangesloten clubs gerechtigd zijn een clausule op de toegangsbewijzen te plaatsen, inhoudende dat het verboden is opnamen of reportages voor radio of televisie te maken van door de KNVB georganiseerde wedstrijden en dat de NOS niet gerechtigd is aldus vervaardigde reportages uit te zenden.

Er wordt geoordeeld dat het enkel profiteren van de door KNVB georganiseerde wedstrijden niet onrechtmatig is, ook indien de KNVB daarvan nadeel ondervindt. Daarnaast is het organiseren van wedstrijden en competitie geen éénlijnsprestatie. Tot slot wordt er geoordeeld dat de KNVB en de aangesloten clubs als eigenaar/gebruiker van het stadion beperkingen aan de toegang mogen verbinden.

5.1 De hier behandelde klachten betreffen alle de grondslag van de primaire vordering van de KNVB en richten zich tegen 's Hofs rechtsoverwegingen 4.16 e.v.. Hier gaat het derhalve om de vraag - zoals deze blijkens het hiervoor onder 3 sub e en f overwogene in dit geding door partijen is omlijnd - in hoeverre, kort samengevat, de exploitatie van wedstrijden, als door de KNVB georganiseerd, rechtens bescherming vindt tegen uitzendingen als hier aan de orde, ingeval het betalen van een redelijke vergoeding voor die uitzendingen wordt geweigerd. Bij de beantwoording van die vraag moet het volgende worden vooropgesteld.

Uitgangspunt dient te zijn dat het enkele feit dat de NOS en de zendgemachtigden voor wie zij mede optreedt, door hun uitzendingen profiteren van de door de KNVB georganiseerde wedstrijden, op zichzelf nog niet in strijd is met de zorgvuldigheid die de NOS, onderscheidenlijk die zendgemachtigden, jegens de KNVB en de clubs in het maatschappelijke verkeer betaamt, ook niet voor zover de KNVB of de clubs door die uitzendingen nadeel zouden lijden. Hoewel de verhouding tussen de NOS en de zendgemachtigden enerzijds en de KNVB en zijn clubs anderzijds - zeker voor wat betreft het amateurvoetbal - niet in alle opzichten die van concurrenten op het gebied van handel en nijverheid is, verschilt die verhouding daarvan toch niet zo wezenlijk dat hier een ander uitgangspunt zou moeten gelden dan ook in HR 27 juni 1987, NJ 1987, 191, In rechtsoverweging 4.2 is vooropgesteld. Dit brengt tevens mee dat onder ogen dient te worden gezien of hier reden is voor een vergelijkbare bescherming als die welke de wet biedt in geval van absolute rechten van intellectuele eigendom, zoals een octrooirecht. Een zodanige reden ontbreekt. Niet kan worden gezegd dat voldaan is aan de in voormeld arrest t.a.p. gestelde minimumeis dat wordt geprofiteerd van een prestatie van dien aard dat zij op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een dergelijk recht rechtvaardigen.

5.2 Niettemin moet worden aangenomen dat de KNVB en zijn clubs op een zekere bescherming ter zake van de uitzending van wedstrijden aanspraak kunnen maken, zij het ook een aanspraak van een ander karakter dan aan een absoluut recht van de bovenbedoelde soort zou kunnen worden ontleend. Naar uit de stukken van het geding naar voren komt en trouwens ook van algemene bekendheid is, worden de door de KNVB georganiseerde wedstrijden gehouden in stadions of op besloten terreinen die aldus zijn ingericht dat die wedstrijden weliswaar voor het publiek toegankelijk zijn, maar - teneinde daardoor met de daar gespeelde wedstrijden inkomsten te verwerven - niet dan tegen betaling. Een deel van hetgeen het bijwonen van de wedstrijden voor het publiek aantrekkelijk maakt, kan aan dat publiek ook worden geboden door radio- en televisieuitzendingen en dat wel meer naar gelang die uitzendingen een vollediger beeld van de wedstrijd geven en, zo zij al niet in tijd met die wedstrijd samenvallen, daar sneller op volgen. Als gevolg daarvan mag worden verwacht dat deze uitzendingen in de hand kunnen werken dat een deel van het publiek zich bepaalt tot het waarnemen van de uitzending in stede van tegen betaling de wedstrijd zelf bij te wonen. Mede in verband daarmee ligt in de rede dat de KNVB en de clubs slechts tegen betaling van een redelijke vergoeding toestemming zullen geven tot de handelingen in het stadion of op het wedstrijdterrein, die met het oog op het tot stand brengen van de uitzending nodig zijn, en, bij weigering van een zodanige vergoeding, deze handelingen zo veel als praktisch doenlijk is zullen beletten. Tot dit laatste hebben de KNVB en de clubs in beginsel de mogelijkheid en, nu het hier een geoorloofd belang geldt, rechtens de vrijheid, doordat zij aan hun toestemming tot het betreden van het stadion of het wedstrijdterrein beperkingen kunnen en mogen verbinden, daarbij gebruikmakend van de bevoegdheden die zij aan het eigendoms- of gebruiksrecht van dat stadion of terrein ontlenen.

5.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat wie in een stadion of op een terrein waardoor de KNVB en zijn clubs voetbalwedstrijden worden georganiseerd, datgene verricht wat nodig is voor een uitzending als onder 5.2 bedoeld, ofschoon hij weet of behoort te weten dat de eigenaar of gebruiker van dat stadion of terrein voor die uitzending geen toestemming heeft gegeven, jegens die eigenaar onderscheidenlijk die gebruiker onrechtmatig handelt. Nu het uitgangspunt van de onderhavige procedure is dat de NOS en de andere zendgemachtigden er volledig mee bekend zijn dat de KNVB en de clubs voor uitzendingen als ten processe bedoeld in beginsel geen toestemming wensen te geven zonder dat daarvoor een redelijke vergoeding wordt betaald, staat hier het ontbreken van die toestemming en daarmee de onrechtmatigheid vast zonder dat daarvoor nadere maatregelen nodig zijn, zoals de in de subsidiaire vordering aangeduide plaatsing van een clausule op de toegangsbewijzen, die het maken van opnamen of reportages verbiedt. Voorts brengt de grondslag die boven voor deze onrechtmatigheid werd aanvaard, mee dat - anders dan de NOS wil - niet alleen het uitzenden zonder redelijke vergoeding van integrale wedstrijden onrechtmatig is, doch ook het uitzenden van gedeelten van wedstrijden, flitsen daaronder begrepen, van zodanige samenstelling, lengte of aard dat het – in de terminologie van het petitum van de KNVB en het dictum van de Rechtbank - gaat om "reportages" en derhalve niet om het enkele informeren van het publiek of het berichten van het verloop van een wedstrijd achteraf, waarvan de geoorloofdheid blijkens het onder 3 sub f overwogene door de KNVB - terecht - wordt aanvaard.