IEF 19619

Maarten Russchen: muziek in audio-visuele productie is geen fonogram

Op 18 november 2020 heeft het Hof van Justitie in de zaak Atresmedia/Agedi [IEF 19610] bepaald dat een geluidsopnamen zijn status als “fonogram” verliest wanneer het wordt opgenomen in een audio-visueel werk. De uitspraak is nog vers, maar lijkt mij verstrekkende gevolgen te hebben voor de praktijk.

In Nederland ontvangen de producenten en muzikanten die meewerken aan het maken van de geluidsopname een vergoeding van SENA wanneer de muziek op TV wordt uitgezonden. Meestal staat de muziek dan niet alleen, maar is onderdeel geworden van een audio-visueel werk. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor muziek bij TV-reclames. De uitvoerige jurisprudentie over de vergoeding die SENA zou moeten betalen voor TelSell reclames is niet meer relevant, want deze uitspraak van het Hof van Justitie betekent dat er helemaal geen recht is op een vergoeding van SENA. Die vergoeding ziet namelijk op verspreiding van fonogrammen.

Het Hof overweegt dat de positie van de producenten en muzikanten al dient te worden geborgd bij het verlenen van toestemming tot het koppelen van de muziek met het beeldmateriaal. In de praktijk wordt dit aangeduid als de synchronisatielicentie, ofwel de sync licentie. Dergelijke licenties betreffen nu doorgaans een eenmalige vergoeding waarmee het recht wordt verleend om de muziek op te nemen in de film- of videoproductie. Doorgaans bevat een dergelijke licentie geen bepalingen over de vergoeding voor het daadwerkelijke gebruik, want daarvoor wordt een uitkering ontvangen via SENA.

Dit lijkt een forse stap terug te zijn in de financiële positie van muzikanten en labels. Duidelijk is dat synchronisatie-deals anders zullen moeten worden vormgegeven omdat de SENA uitkeringen volledig zullen vervallen voor deze muziek. SENA keert immers alleen uit voor de verspreiding van fonogrammen.