IEF 20243

Inbreuk op auteursrecht theorie-examen

Hof Amsterdam 9 juni 2021, IEF 20243; ECLI:NL:GHAMS:2021:2934 (Auteursrechtschending CBR) Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI door het met een spybril opnemen van examenvragen en deze beelden vervolgens te verwerken in een theorie-cursus. Dit is aan te merken als een verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet. De inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. De verdachte heeft met zijn handelen de concurrentieverhoudingen tussen verkeersscholen geweld willen aandoen en daarbij ook andere mensen gebruikt om zijn persoonlijk geldelijk gewin te kunnen bereiken. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie, en aan het witwassen van bijna € 100.000,00.

 Beoordeling hof

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. De Aanwijzing Auteursrecht is recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Uit de Aanwijzing volgt dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is wanneer het algemeen belang in het geding komt. Het hof stelt vast dat het systeem van theorie-examinering voor het behalen van het rijbewijs en/of van een certificaat tot rijinstructeur, is ontworpen ten behoeve van de verkeersveiligheid op de openbare weg. Hiermee wordt een algemeen belang gediend. Nu de verdenking het beroepsmatig inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI betreft, is het hof van oordeel dat het reeds beschreven algemeen belang van de verkeersveiligheid in het geding is. Beide instellingen dragen met de examinering van de theorie-onderdelen immers bij aan het waarborgen van de verkeersveiligheid. Met behulp van de ten laste gelegde auteursrechtschending zou de verdachte zich in staat hebben gesteld de examenvragen van zijn studenten (beter) te voorspellen om zo een hogere slagingskans voor zijn studenten te creëren die niet was gebaseerd op kennis. Daarbij is het niet van belang of al dan niet komt vast te staan dat het handelen van verdachte gevaar voor de verkeersveiligheid zou hebben opgeleverd. Er is dus geen sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De officier is ontvankelijk in de vervolging.

(...)

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI. De inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. De verdachte heeft met zijn handelen de concurrentieverhoudingen tussen verkeersscholen geweld willen aandoen en daarbij ook andere mensen gebruikt om zijn persoonlijk geldelijk gewin te kunnen bereiken. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. Zowel voor het behalen van een rijbewijs, alsmede voor een certificaat tot rijinstructeur, is toetsing van kennis met betrekking tot regels en verkeerssituaties vereist. Het behalen van deze rechten door het leren van antwoorden op de examenvragen en niet door het opdoen van kennis omtrent verkeersregels, is onwenselijk. Met de inbreuk op het auteursrecht kan immers aan de toetsing van kennis en vaardigheden worden ontkomen. Dit kan risico's met betrekking tot de verkeersveiligheid opleveren.