IEF 18934

Impressie tweede opleidingsdag Mr. S.K. Martens Academie

Wat leert het Cofemel-arrest? Waarom is de Artiestenverloning-toets onjuist? Hoe gaat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken veranderen? Deelnemer Anne-Fleur Filemon en hoofddocent Vivien Rorsch over de tweede opleidingsdag van de Mr. S.K. Martens Academie op 21 november jl.

“Wie van jullie heeft wel eens te maken met modellenrecht?” Met die vraag trapt Jesse Hofhuis (Hofhuis Alkema Groen) af. Twijfelend steken twee deelnemers hun vingers in de lucht. “Als IE-jurist word je verondersteld kennis te hebben van het modellenrecht, maar in de praktijk heb je er zelden mee te maken.” In twee uur behandelt Jesse de voorschriften van het modeldepot, de beschermingsvoorwaarden: nieuwheid en eigen karakter, de beschermingsomvang en de beperkingen. Jesse laat zich kritisch uit over het Jägermeister-arrest. Op basis van een sterk staaltje doelredeneren oordeelt het hof dat artikel 36 1c Modellenverordening vereist dat de afbeelding waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, duidelijk identificeerbaar moet zijn. EUIPO kan dus een model weigeren vanwege onbegrijpelijkheid, terwijl de afbeelding prima reproduceerbaar is.

Een woordelijke toelichting op het depot kan volgens Jesse een oplossing zijn, maar heeft geen invloed op de draagwijdte van de bescherming van het model. Jesse eindigt met het Cofemel-arrest waarin het Hof van Justitie heeft bevestigd dat het auteursrecht op design Europees is geharmoniseerd. Het arrest leert dat lidstaten geen andere eisen mogen stellen aan de auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst dan die in het Infopaq-arrest zijn geformuleerd.

Met chocoladetaart en blue velvet-cake vieren we dat Jesse en twee andere deelnemers van de opleiding afgelopen week jarig waren. Kriek Wille (Van Doorne) neemt na de taart het stokje van Jesse over: “Slaafse nabootsing wordt vaak, onnodig, slechts als vangnet ingezet en dat gebeurt niet altijd goed doordacht.  Het Wahl/Kappershandel vonnis laat zien dat een vordering uit slaafse nabootsing, mits goed ingezet, een interessant wapen in het IE-arsenaal kan zijn. De vintage look and feel van bepaalde onderdelen speelde in die zaak geen rol bij de modelrechtelijke beoordeling maar zou bij slaafse nabootsing wel relevant kunnen zijn.” Aan de hand van een op Nespresso gelijkend metalen kopje behandelt Kriek nog meer aspecten van een vordering op basis slaafse nabootsing. Zo is niet relevant of het nagebootste product 'nieuw' is of wie het heeft gemaakt. Een ander factor is het gevaar voor verwarring, dat wordt namelijk gemeten aan de totaalindruk en bij het weinig oplettend 'gewone' publiek. Tot slot kan de vordering een tactische keuze zijn bij zaken die niet klip en klaar zijn omdat je in beginsel niet wordt veroordeeld in de volledige proceskostenveroordeling als het misloopt.

Na de smakelijke lunch behandelt Roderick Chalmers Hoynck van Papendrecht (AKD) het handelsnaamrecht. Hij weet er alles over want het is het onderwerp van zijn proefschrift. “Past het handelsnaamrecht nog wel in deze tijd? Vroeger was de plaats waar de onderneming daadwerkelijk gevestigd is relevant. Nu is het criterium dat sprake moet zijn van beschermingswaardige bekendheid bij het publiek ook als in dat gebied geen afzet wordt gevonden voor de waren of diensten.”

Het handelsnaamrecht blijkt onzekere materie. Aan de hand van statistieken stelt Roderick dat je 50% kans hebt om een zaak over beschrijvende handelsnamen te winnen. 

Volgens Roderick is het onjuist om de Artiestenverloning-toets ook toe te passen in conflicten tussen twee handelsnamen. Het beschrijvende karakter van een handelsnaam zegt als zodanig niets. Het gebruik van de handelsnaam bepaalt of een naam als handelsnaam kwalificeert, welke naam als handelsnaam kwalificeert, waar die naam bescherming geniet en of de handelsnaam verwarring wekt met een ander.

Met een artisjokken-pompoentaart als snack blijft het feest vandaag. In een vrolijke duopresentatie van Bram Duivenvoorde en Daniël Haije (Hoogenraad & Haak) komen de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en de regelgeving voor social media marketing aan bod. Onder leiding van Bram discussiëren we over de vraag of een Mercedes C-Klasse uit Slovenië zonder visuele verschillen, maar met minder goede onderdelen dan die uit Duitsland een misleidende handelspraktijk is. Maakt het daarbij uit of er reclame gemaakt wordt voor de ‘vertrouwde Duitse kwaliteit’? De nieuwe OHP richtlijn gaat over dit soort dual quality problematiek en is vooral voor grote exporteurs van consumentenproducten van belang.

In raptempo loodst Daniël de deelnemers door de regelgeving voor social media marketing. “Het gaat erom dat reclame herkenbaar is als reclame, maar de grote variëteit aan disclosures bevordert de herkenbaarheid niet. Uit onderzoek blijkt dat het prominent vermelden van #ad het absolute minimum is.” Dit onderwerp roept veel vragen bij de deelnemers op, zoals de vraag wat er gebeurt als een internationale influencer over de schreef gaat. “Als de influencer zich richt op een groot internationaal publiek, dan resulteert dat in een lappendeken aan toepasselijke regelgeving waar de social post aan zal moeten voldoen”, antwoordt Daniël. “Wat gebeurt er als een influencer aan zijn ‘influencer agreement’ probeert te voldoen door een zeer groot aantal fake likes (bots)?”, is de volgende vraag. Volgens Daniël is dat wanprestatie tegenover de adverteerder. “Voor de consument is het misleidend, maar of die er ook wat aan zal kunnen doen? “Misschien via een collectieve actie”, valt een deelnemer hem bij.  
We sloten de geslaagde dag af met een gezellige borrel. Een goede gelegenheid om met alle docenten en andere deelnemers in een informele setting na te praten.

Vlak voor kerst is de derde opleidingsdag. Dan staat onder andere octrooi- en kwekersrecht op het programma.