IEF 20421

HvJ EU: een toeslag rekenen voor een betaaltransactie?

HvJ EU 2 december 2021, IEF 20421, IT 3757, IEFbe 3343; ECLI:EU:C:2021:975 (Vodafone tegen Bundesverband) Sinds de omzetting van richtlijn 2015/2366 in Duits recht per 13 januari 2018 maakt Vodafone onderscheid tussen dienstverleningsovereenkomsten die voor die datum zijn gesloten en dienstverleningsovereenkomsten die op of na die datum zijn gesloten. Op de eerste categorie overeenkomsten past deze marktdeelnemer op grond van een algemene contractuele clausule (forfaitair tarief voor zelfbetalers) van 2,50 EUR per betalingstransactie toe voor klanten die hem geen machtiging tot automatische afschrijving verlenen maar zelf hun facturen betalen door middel van een SEPA-overboeking. Die clausule komt  niet meer voor in de overeenkomstige prijslijst voor de tweede categorie overeenkomsten. Het Bundesverband voert aan dat het in § 270a BGB neergelegde verbod om vanaf 13 januari 2018 een toeslag in rekening te brengen ook geldt voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten overeenkomsten.

Het Oberlandesgericht München verzoekt het hof een prejudiciële beslissing te nemen over de vraag: “Dient artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk die bij wijze van overgangsregeling met betrekking tot duurovereenkomsten met consumenten het verbod om een vergoeding te vragen voor het gebruik van betaalinstrumenten en betalingsdiensten op grond van de overeenkomstige nationale omzettingsbepaling slechts toepast indien de onderliggende verbintenis op of na 13 januari 2018 is aangegaan en niet wanneer de onderliggende verbintenis voor 13 januari 2018 is aangegaan, maar de verwerking van (verdere) betalingstransacties pas op of na 13 januari 2018 plaatsvindt?”
Het hof antwoordt dat artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 zo moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan het verbod om in het kader van duurovereenkomsten met consumenten een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten slechts van toepassing is op betalingstransacties die ter uitvoering van na 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, zodat die vergoeding nog steeds wordt gevraagd voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten.

34. Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 62, lid 4, van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk op grond waarvan het verbod om in het kader van duurovereenkomsten met consumenten een vergoeding te vragen voor het gebruik van in die bepaling bedoelde betaalinstrumenten en betalingsdiensten slechts van toepassing is op betalingstransacties die ter uitvoering van na 13 januari 2018 gesloten overeenkomsten worden geïnitieerd, zodat die vergoeding nog steeds wordt gevraagd voor betalingstransacties die na die datum worden geïnitieerd ter uitvoering van voor die datum gesloten duurovereenkomsten.