IEF 19799

Hof veroordeelt onrechtmatige uitingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2021, IEF 19799, IT 3428; ECLI:NL:GHARL:2021:1808 (Appellant tegen geïntimeerde) In eerdere aanleg had de rechtbank Overijssel beslist tot rectificatie van de zogeheten FIOD-beschuldiging. Deze hield in dat appellant had gezegd dat de communicatie tussen geïntimeerde en de AIVD de aanleiding geweest tot een inval van de FIOD bij Strukton, het bouwconcern van appellant. De rechtbank had appellant verboden om opnieuw deze beschuldiging te uiten, op straffe van een dwangsom. Desondanks heeft deze opnieuw dezelfde beschuldiging gemaakt, met daarbij ook een beschuldiging over door geïntimeerde gepleegde fraude. Het hof verbiedt de appellant om dit in de toekomst te blijven doen met daarbij een vordering tot rectificatie van de fraudebeschuldiging. Indien appellant dit negeert zal hij een nog hogere dwangsom moeten betalen dan de rechtbank in eerdere aanleg hem had opgelegd.

4.18
Het hof is het met de voorzieningenrechter eens dat [appellant] onder de hierboven genoemde omstandigheden onrechtmatig handelt tegenover [geïntimeerde] door haar ervan te beschuldigen dat zij direct of indirect verantwoordelijk is voor de FIOD-inval bij Strukton. Het betreft een ernstige beschuldiging zonder voldoende feitelijke basis en aan het adres van een werknemer van één van zijn bedrijven, die zich door de arbeidsverhouding in een kwetsbare positie bevond. Het onderwerp (steekpenningen in Saoedi-Arabië, FIOD-inval bij een belangrijk bedrijf) is mogelijk wel van belang voor het publieke debat, maar een eventuele persoonlijke betrokkenheid van [geïntimeerde] is dat niet zonder meer.

4.32
Hieruit volgt dat [geïntimeerde] (groot) belang heeft bij de door haar gevorderde rectificatie op de website van Strukton en Centric en bij een verbod voor de toekomst om [geïntimeerde] te beschuldigen van fraude. Deze vorderingen zullen worden toegewezen zoals hierna is weergegeven. Ook de gevorderde dwangsommen die [appellant] moet betalen als hij de rectificatie niet plaatst of zich niet houdt aan het verbod zullen worden toegewezen. Het hof realiseert zich dat deze dwangsommen zeer hoog zijn, maar gebleken is dat [appellant] zich door lagere bedragen niet laat afschrikken om eerder door de rechter gegeven bevelen of verboden te overtreden. Bovendien heeft het hof moeten vaststellen dat hij zich ook niet houdt aan ter zitting gemaakte afspraken. Het is dan ook noodzakelijk om een forse prikkel te geven.