Artikel geschreven door J.R. Torenbosch.
Het Mio-arrest: PW = EIS ≠ EOK&PS - J.R. Torenbosch
J.R. Torenbosch[1]
IER 2026/3
1. Inleiding
De bal in de gevoegde zaken Mio en Konektra (kortweg: het Mio-arrest, raadpleegbaar in dit nummer, IER 2026/1 en IER 2026/4) begint te rollen als op 21 september 2023 het Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg voor IE-zaken in Zweden) in de Mio-zaak prejudiciele vragen aan het HvJ EU stelt. Volgens de Zweedse rechter is namelijk onduidelijk hoe moet worden vastgesteld of een gebruiksvoorwerp blijk geeft van creatieve keuzes en welke factoren daarbij in aanmerking mogen worden genomen. Allereerst vraagt de Zweedse rechter of het scheppingsproces of het gebruiksvoorwerp zelf als uitgangspunt moet worden genomen voor de beoordeling of sprake is van een eigen intellectuele schepping van de auteur. Ten tweede vraagt de Zweedse rechter in wezen naar de relevantie van het vormgevingserfgoed. Meer concreet vraagt de Zweedse rechter of het relevant is dat i) de auteur gebruik maakt van reeds beschikbare vormen, ii) zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen en iii) de mogelijkheid dat soort gelijke voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd. Tot slot vraagt de Zweedse rechter welk criterium moet worden gehanteerd voor het vaststellen van auteursrechtinbreuk en hoe de beschermingsomvang van een werk moet worden vastgesteld.
Een klein half jaar later stelt ook het Duitse Bundesgerichthof (BGH) in de zaak Konektra prejudiciële vragen die raken aan de kern van het auteursrecht. Ten eerste vraagt het BGH of er een regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat voor gebruiksvoorwerpen hogere eisen moeten worden gesteld voor bescherming dan die gelden voor andere soorten voorwerpen. Ten tweede legt het BGH in lockstep met de Zweedse rechter voor of bij de beoordeling van oorspronkelijkheid bij gebruiksvoorwerpen, (mede) moet worden uitgegaan van het scheppingsproces. Ten derde en tot slot vraagt het BGH naar de relevantie van factoren die zich ná het moment van het scheppen van een voorwerp hebben voorgedaan, zoals de presentatie in kunsttentoonstellingen of musea of de erkenning ervan in vakkringen.
In dit artikel sta ik uitgebreid stil bij het Mio-arrest. Ik vat in paragraaf 2 eerst kort het arrest samen. Vervolgens ga ik in paragraaf 3 in op de vereisten voor auteursrechtelijke bescherming van gebruiksvoorwerpen en in paragraaf 4 op enige onduidelijkheid die het Mio-arrest hieromtrent schept. Daarna ga ik in paragraaf 5 dieper in op de vraag wat het Mio-arrest betekent voor de inhoud van het geharmoniseerde werkbegrip c.q. de (hoogte van de) lat van het aannemen van oorspronkelijkheid. In paragraaf 6 bespreek ik tot slot de door het HvJ EU geformuleerde inbreuktoets. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 7.
[1] Mr. dr. J.R. (Jorn) Torenbosch is universitair docent aan de Universiteit van Utrecht en redactielid van dit blad.