IEF 20463

Handelen met kennis uit dataroom

Ktr. Rechtbank Amsterdam 12 november 2021, IEF 20463, IT 3771; ECLI:NL:RBAMS:2021:6491 (inbreuk geheimhoudingsbeding) Werknemer doet met kennis uit de dataroom van zijn werkgever zelf een bod op een onderneming. Werkgever is hierachter gekomen door de e-mails van werknemers te lezen. De werkgever vordert een verklaring voor recht dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig vernietigd is en dat de ex-werknemers wanprestatie hebben gepleegd. De ex-werknemers vorderen een verklaring voor recht dat de werkgever onrechtmatig heeft gehandeld door zich toegang te verschaffen tot hun e-mail. De kantonrechter oordeelt dat het openen door werkgever van de e-mail van werknemers als een inbreuk op de privacy moet worden beschouwd.

Gedaagden waren op dat moment niet meer in dienst en e-mail zou vanwege een toegezegging na een verzoek daatoe, vernietigd worden. Het belang van werkgever om de waarheid aan het licht te brengen, weegt echter zwaarder dan het belang van gedaagden om het bewijs dat hun handelen aan het licht brengt verborgen te houden. Het openen van de e-mail was dan ook gerechtvaardigd en daarmee is van onrechtmatig handelen geen sprake. De rechtbank oordeelt dat is vast komen te staan dat het geheimhoudingsbeding is geschonden. Ex 843a Rv zal inzage en afschrift van relevante gegevens worden afgebakend tot correspondentie tussen beiden gedaagden onderling en tussen hen en de door eisers genoemde vennootschappen.

21. Met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de kantonrechter van oordeel dat het openen door [eisers] van de e-mail van 14 juni 2020 als een inbreuk op de privacy moet worden beschouwd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren op dat moment niet meer in dienst en [gedaagde 2] is op zijn verzoek toegezegd dat de e-mail vernietigd zou worden. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt echter in dit geval het belang van [eisers] om de waarheid aan het licht te brengen zwaarder dan het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om bewijs dat hun handelen aan het licht brengt verborgen te houden. In het licht van het vermoeden dat [eisers] op 14 juni 2020 had – mede in het licht van de aanleiding voor de vaststellingsovereenkomst – kon zij in redelijkheid aan de hand van de omschrijving in de e-mail vermoeden dat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatte die van haar afkomstig was. Het openen van de e-mail was dan ook gerechtvaardigd en daarmee is van onrechtmatig handelen geen sprake. Ook hoeft de e-mail niet vernietigd te worden.