IEF 19782

Geuite beschuldigingen vinden geen steun in feitenmateriaal

Hof Den Bosch 23 februari 2021, IEF 19782, IT 3420; ECLI:NL:GHSHE:2021:511 (Appellanten tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdzorg) [Vervolg op IEF 18994]. Het beroep spitst zich toe op de vordering van de Stichting zoals die bij het beroepen vonnis aan de Stichting zijn toegewezen en waartegen appellanten zich hebben kunnen verweren. Volgens de Stichting handelen appellanten onrechtmatig tegenover haar en haar medewerkers door de video en de brief op internet en Facebook te plaatsen. Appellanten verweren zich met een beroep op hun recht van vrijheid van meningsuiting. Vooropgesteld zij dat het bij misstanden in de jeugdzorg gaat om een kwestie van algemeen belang die bij uitstek op grond van de vrijheid van meningsuiting door uitingen aan de orde hoort te kunnen worden gesteld. De geuite beschuldigingen aan het adres van Stichting en haar medewerkers vinden echter geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Appellanten schaden daarmee de Stichting en haar medewerkers in hun eer en goede naam en zij maken ernstig inbreuk op hun privacy. Het vonnis wordt dan ook bekrachtigd.

3.10.8 Met hun niet althans onvoldoende gefundeerde beschuldigingen schaden [appellanten] de Stichting en haar medewerkers in hun eer en goede naam en maken zij ernstig inbreuk op hun privacy. [appellanten] doen dit op een onnodig beledigende en beschadigende wijze, waarbij zij de bij de uithuisplaatsing betrokken Stichting ook nog meermalen expliciet (be)noemen en waarbij zij medewerkers ook nog onnodig en volledig zichtbaar (zonder enige vorm van zelfs maar een beperkte vorm van afscherming) tonen in de via internet en Facebook verspreide beelden en een brief publiceren met de volledige voor- en achternaam, telefoonnummers en e-mailadres van medewerker [medewerker van de Stichting] . Ook na sommatie door de Stichting hebben [appellanten] meermalen aangegeven dat zij niet bereid zijn om hun onrechtmatige handelwijze en uitingen op enigerlei wijze aan te passen.

3.10.9 Voor zover [appellanten] betogen dat zij over en weer niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor elkaars handelen, volgt het hof hen daarin niet. Hun gedragingen en uitingen liepen niet toevallig samen, maar waren zowel objectief (tussen hun handelingen) als subjectief (tussen [appellante] en [appellant] onderling) bewust op elkaar afgestemd.

3.10.10 Voor zover [appellanten] menen dat uitlatingen en handelingen van derden aan hen niet kunnen worden toegeschreven, is dat als zodanig juist. [appellanten] hadden echter redelijkerwijs wel moeten voorzien dat hun agressief en provocerend ingeklede en bijval oproepende uitingen op internet en Facebook reacties van derden zou(den) uitlokken die de (in het bijzonder de voor derden ook (her)kenbare) Stichting en medewerkers als grievend, onveilig en zelfs bedriegend zouden ervaren.