IEF 16352

Geen sprake van schending van eer en goede naam door wethouder

Masterplan Brunssum

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 november 2016, IEF 16352; ECLI:NL:GHSHE:2016:4850 (X tegen Gemeente Brunssum) Schending eer en goede naam. Onrechtmatige daad. Geïntimeerde is wethouder bij de gemeente (geweest). Hij was verantwoordelijk voor de uitvoering van het zogenoemde ‘Masterplan Brunssum. Appellant is de zoon van senior, die raadslid is geweest bij de gemeente. Senior heeft zich een column in het huis-aan-huis-blad kritisch uitgelaten over onder meer het mede door de wethouder uitgevoerde beleid van de gemeente ten aanzien van het Masterplan Brunssum. Naar oordeel van het hof is er geen sprake van een schending van de eer en goede naam van appellant in de door hem gestelde zin. De enkele onjuiste suggestie van de wethouder (dat appellant cliënten in hun bezwaarprocedure tegen gemeentelijke plannen zou hebben bijgestaan met als gevolg vertraging van de uitvoering van die plannen), kan niet worden gezien als een uitlating die de reputatie van appellant schendt en evenmin als een beschuldiging of suggestie van niet-integer handelen. Er is geen sprake van onrechtmatige gedragingen, waarvoor de gemeente of geïntimeerde aansprakelijk zijn.

3.8.3. Ten aanzien van de artikelen van 21 maart 2012 en 30 juni 2012 in het Limburgs Dagblad overweegt het hof als volgt.
Het hof zal er veronderstellende wijs van uit gaan dat [geïntimeerde 2] de in deze artikelen aan hem toegeschreven uitspraken heeft gedaan.
In dat geval kan uit deze artikelen in samenhang met bovengenoemd artikel van 14 maart 2012 worden afgeleid, dat [geïntimeerde 2] bedoeld heeft te zeggen dat [appellant] (soms) bezwaarmakers tegen gemeentelijke plannen waar [senior] ook tegen is, bijstaat en aldus uitvoering van gemeentelijke plannen vertraagt. Door te zeggen dat hij zich meer op [oom] dan op [appellant] richtte, heeft hij immers te kennen gegeven óók op [appellant] te hebben gedoeld maar dan in mindere mate. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] nooit juridische bijstand heeft verleend aan cliënten die bezwaar maakten tegen gemeentelijke plannen, heeft [geïntimeerde 2] in zoverre een onjuiste uitlating gedaan. Daarbij heeft hij tevens laten doorklinken dat hij als wethouder niet positief staat tegenover de bewuste juridische procedures. In die zin kunnen de uitlatingen in samenhang beschouwd minder passend voor [geïntimeerde 2] als wethouder worden genoemd.

Echter, naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een schending van de eer en goede naam van [appellant] in de door hem gestelde zin. De enkele onjuiste suggestie van [geïntimeerde 2] (dat [appellant] cliënten in hun bezwaarprocedure tegen gemeentelijke plannen zou hebben bijgestaan met als gevolg vertraging van de uitvoering van die plannen) kan niet worden gezien als een uitlating die de reputatie van [appellant] schendt en evenmin als een beschuldiging of suggestie van niet-integer handelen.

3.9. Aldus is het hof evenals de kantonrechter van oordeel dat de feiten, op zichzelf maar ook in onderlinge samenhang gezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] met zijn uitlatingen het recht van [appellant] op bescherming van zijn goede naam en eer, heeft geschonden. Aan beantwoording van de vraag of [geïntimeerde 2] de onder 3.8 bedoelde uitspraken daadwerkelijk heeft gedaan, wat [geïntimeerde 2] bestrijdt, komt het hof niet toe. Ook komt het hof niet toe aan de onder 3.7.1 vermelde belangenweging.
Aldus is er geen sprake van een onrechtmatige gedraging, waarvoor de gemeente of [geïntimeerde 2] aansprakelijk zijn. De grieven falen.