IEF 20069

Geen belang want geen uitlatingen op internet

Rechtbank Rotterdam 17 juni 2021, IEF 20069, IT 3585; ECLI:NL:RBROT:2021:5655 (Eiser tegen gedaagde) Eiser is de rechtsopvolger van een budgetbeheer bedrijf. Gedaagde was klant bij het bedrijf en heeft een aantal keer Google reviews geschreven die onwaarheden bevatten. Eiser vordert dat het gedaagde verboden wordt om nog langer zulke uitlatingen te doen. Op het moment dat deze zaak voor de rechter komt, staan er geen uitlatingen van gedaagde op internet. Mede om deze reden wordt geoordeeld dat eiser geen belang bij de vordering heeft. Ook staat gedaagde inmiddels weer onder professionele begeleiding, waardoor het aannemelijk wordt geacht dat gedaagde zich niet langer negatief zal uitlaten op internet over eiser. 

4.2. De vordering onder 2 strekt ertoe dat het [gedaagde] wordt verboden om publiekelijk negatieve uitlatingen over [eiser 1] en [eiser 2] te doen. Ook deze vordering wordt afgewezen. Nu [gedaagde] zijn laatste negatieve recensie ruim drie maanden geleden op internet heeft geplaatst, ontbreekt een spoedeisend belang bij deze vordering. Daar komt bij dat, anders dan [eiser 1] en [eiser 2] stellen, [gedaagde] niet stelselmatig recensies over [naam budgetbheer-bedrijf] / [eiser 2] en [eiser 1] / [naam advies -en consultancybedrijf] op internet plaatst, zodat ook dit geen reden vormt voor toewijzing van de vordering.

4.3 (...) De voorzieningenrechter maakt uit de overgelegde e-mails op dat [eiser 1] en zijn advocaat enerzijds en [gedaagde] anderzijds elkaar niet vinden in hun communicatie. Dat heeft aan beide kanten tot de nodige frustratie geleid. Daarbij heeft [gedaagde] dingen geschreven die niet passend zijn. Nu [gedaagde] weer hulp krijgt, acht de voorzieningenrechter het in het belang van alle partijen dat [gedaagde] zich nog uitsluitend via een professionele hulpverlener met [eiser 1] en [eiser 2] verstaat. Dat heeft al eerder, in maart 2020, tot positief resultaat geleid. De vordering onder 3 wordt in zoverre toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen, omdat niet duidelijk is op welke ondernemingen, medewerkers en relaties [eiser 1] en [eiser 2] doelen en deze (rechts)personen bovendien geen partij zijn bij dit kort geding. Dat neemt echter niet weg dat de voorzieningenrechter het verstandig acht dat [gedaagde] de communicatie met de advoca(a)t(en) van [eiser 1] en [eiser 2] ook via een professionele hulpverlener laat verlopen.