IEF 19208

Facebook treft voldoende maatregelen tegen nep-bitcoin advertenties

Facebook

Vzr. Rechtbank Amsterdam 15 mei 2020, IEF 19208, IT 3139, RB 3414; ECLI:NL:RBAMS:2020:2602 (Presentator en AVROTROS tegen Facebook) Kort geding. Presentator en AVROTROS vorderen dat Facebook (i) ieder onrechtmatig handelen jegens hen - het toestaan van advertenties op Facebook en Instagram waar naam en portret van de presentator in verband worden gebracht met (investeringen in) Bitcoin of andere cryptovaluta - staakt en gestaakt houdt; (ii) alle identificerende gegevens van de voor de advertenties verantwoordelijke partijen afgeeft. Facebook voert onder meer aan dat zij al alles doet wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om deze advertenties tegen te gaan. Volgens Facebook is het echter ondoenlijk en technisch onmogelijk om te garanderen dat dergelijke advertenties niet meer zullen verschijnen. Geoordeeld wordt dat Facebook vooralsnog voldoende maatregelen treft om nep-bitcoin advertenties met bekende Nederlanders te weren. Facebook handelt niet onrechtmatig geacht jegens eiser en AVROTROS, omdat onvoldoende is geconcretiseerd welke extra maatregelen Facebook op dit moment zou kunnen en moeten treffen. De vordering tot het verstrekken van identificerende gegevens van adverteerders wordt toegewezen.

4.14.
De conclusie is dat Facebook, in de gegeven omstandigheden, waarbij de nepadvertenties niet systematisch op haar platforms verschijnen, maar incidenteel lijken op te duiken met omzeiling van haar maatregelen, vooralsnog heeft gedaan wat redelijkerwijze in haar vermogen ligt om de nepadvertenties te voorkomen. Haar handelwijze wordt daarom vooralsnog niet onrechtmatig geacht jegens [eiser sub 1] en AVROTROS, omdat onvoldoende is geconcretiseerd welke extra maatregelen Facebook op dit moment zou kunnen en moeten treffen. De stelling van [eiser sub 1] dat de bepalingen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) de door hem gewenste maatregelen kunnen dragen gaat niet op, aangezien deze niet zien op preventieve maatregelen.

4.18.
Bij de door de rechter te maken afweging kunnen (ook nu nog) de door het Hof Amsterdam in zijn (door de Hoge Raad bekrachtigde) arrest van 24 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2005: AU4019 ( [naam partij] )) geformuleerde maatstaven tot uitgangspunt worden genomen. In dat arrest heeft het hof geoordeeld dat een verplichting voor de dienstverlener tot afgifte van dergelijke gegevens aan een derde gerechtvaardigd kan zijn, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk;
b. de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de gegevens;
c. aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de gegevens te achterhalen;
d. afweging van de betrokken belangen van de derde en de internetdienstverlener brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren.

Aan deze voorwaarden is, zoals voortvloeit uit het voorgaande, in dit geval voldaan. Ook artikel 6 lid 1 van de AVG biedt ruimte voor het verstrekken van die gegevens en voor het overige zijn er in dit concrete geval geen aanknopingspunten op grond waarvan die vordering zou moeten worden afgewezen.