IEF 19042

EUIPO moet nieuwe beslissing nemen over aanvraag Constantin

HvJ EU 27 februari 2020; IEF 19042, IEFbe 3042; ECLI:EU:C:2020:118 (Constantin Film Produktion tegen EUIPO) Constantin Film Produktion wilde het woordteken „Fack Ju Göhte”, tevens de titel van haar succesvolle Duitse komedie, als Uniemerk bij het EUIPO inschrijven. Het aangevraagde woordteken werd door het EUIPO in strijd met de „goede zeden” geacht. Het gaat in deze zaak om verduidelijking, welke juridische toets moet worden verricht om te oordelen of een merkaanvraag op grond van artikel 7, lid 1, onder f), van verordening nr. 207/2009 dient te worden afgewezen: wanneer kan een merkaanvraag „in strijd met de openbare orde of de goede zeden” worden geacht? Voorts wordt verzocht de draagwijdte te preciseren van de op het EUIPO rustende verplichting om een beslissing die als afwijkend van eerdere beslissingen in soortgelijke zaken kan worden beschouwd, met redenen te omkleden. Zie ook de conclusie van a-g Bobek op 2 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:553. Het Hof vernietigt het arrest van het Gerecht en de beslissing van het EUIPO. Er is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het gaat om de titel van een komische film, de perceptie van de Engelse uitdrukking 'Fuck you' van het Duits sprekende publiek is niet noodzakelijkerwijs dezelfde als die van het de Engelstalige publiek, ook al is de uitdrukking goed bekend bij het Duitstalige publiek. Gevoeligheid in de moedertaal kan zelfs groter zijn dan in een vreemde taal.

68      Vastgesteld dient dan ook te worden dat het geheel van die contextuele elementen er eensluidend op wijst dat, ondanks  de gelijkstelling van de termen „Fack Ju” met de Engelse uitdrukking fuck you, de titel van die komedies niet als moreel onaanvaardbaar werd beschouwd door het algemene Duitstalige publiek. In dit verband dient er tevens op te worden gewezen dat het Duitstalige publiek deze Engelse uitdrukking – die weliswaar algemeen bekend is bij dat publiek, dat weet wat de uitdrukking betekent – niet noodzakelijk op dezelfde manier percipieert als het Engelstalige publiek, omdat de gevoeligheid in de moedertaal mogelijks groter is dan in een vreemde taal. Om dezelfde reden percipieert het Duitstalige publiek die Engelse uitdrukking ook niet noodzakelijkerwijs op dezelfde manier als het dat zou doen met de Duitse vertaling ervan. De titel van de komedies in kwestie en, bijgevolg, het aangevraagde merk, bestaan bovendien niet uit die Engelse uitdrukking als zodanig, maar uit de fonetische transcriptie ervan in het Duits, waaraan het element „Göhte” is toegevoegd.

69      In deze omstandigheden en rekening houdend met het feit dat er geen enkel concreet element naar voor werd gebracht om op plausibele wijze te verklaren waarom het algemene Duitstalige publiek het woordteken „Fack Ju Göhte” zou opvatten als strijdig met de fundamentele morele waarden en normen van de samenleving bij gebruik ervan als merk, hoewel datzelfde publiek de titel van de gelijknamige komedies niet als in strijd met de goede zeden blijkt te hebben beschouwd, dient te worden vastgesteld dat het EUIPO niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat artikel 7, lid 1, onder f), van verordening nr. 207/2009 in de weg staat aan de inschrijving van het aangevraagde merk.

70      Hier komt nog bij dat, in tegenstelling tot wat de kamer van beroep in punt 38 van de litigieuze beslissing suggereert, aan de relevantie van het succes van de gelijknamige komedies als contextueel element geenszins wordt afgedaan door het feit dat de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid, 1, onder f), van verordening nr. 207/2009 niet kan worden ondervangen door het bewijs dat het aangevraagde merk onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt in de zin van artikel 7, lid 3, van die verordening. Met het succes van de gelijknamige komedies bij het relevante publiek en in het bijzonder met het ontbreken van controverse over hun titel dient immers rekening te worden gehouden om te bepalen of het relevante publiek het aangevraagde merk als in strijd met de goede zeden beschouwt en dus om vast te stellen of die absolute weigeringsgrond zich verzet tegen de inschrijving ervan, en niet om die grond terzijde te schuiven nadat de toepasselijkheid ervan op het onderhavige geval werd vastgesteld.