DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 26 september 2019
IEF 18708

Dirk Visser: kabelrecht weer op de schop waarbij er niets verandert (?)

De wettelijke auteursrechtelijke regeling met betrekking tot kabeldoorgifte en andere uitzendvormen wordt weer ingrijpend gewijzigd. Daarbij is het de bedoeling dat er in de praktijk (bijna) niets verandert. Is dat ook zo?

Begin september 2019 is door het Ministerie van Justitie een concept-wetsvoorstel in consultatie gegeven  waarmee de Europese ‘online omroep richtlijn’ moet worden geïmplementeerd (2).  Om de voorgestelde wijzigingen te kunnen plaatsen is een korte schets van de lange voorgeschiedenis nodig.

Voorgeschiedenis
Ooit bestond er alleen uitzenden via de ether. Dat was een openbaarmaking in de zin van de auteurswet. Daar was het auteursrechtelijke verbodsrecht op van toepassing. Er werd betaald aan Buma en aan de film- en programmaproducenten die krachtens overdracht alle rechten hadden.

Toen kwam de (secundaire) kabeldoorgifte van signalen die eerst via de ether werden uitgezonden (3).  Begin jaren ‘80 oordeelde de Hoge Raad dat dat een aparte, secundaire openbaarmaking betrof (4).  Daarop kwam in 1984 ‘het kabelcontract’ tot stand waarbij voor kabeldoorgifte betaald werd aan Buma, en de speciaal daarvoor opgerichte collectieve beheersorganisaties (cbo’s) Lira (voor scenarioschrijvers), Vevam (regisseurs (toen ook nog natuurlijke personen-producenten)) en Sekam (producenten) en het buitenlandse Agicoa (buitenlandse filmproducenten).

In 1985 werd het vermoeden van overdracht van alle verbodsrechten van alle filmmakers aan de filmproducent vastgelegd in art. 45a- e Auteurswet. Tegenover dat vermoeden van overdracht staat het recht op een billijke vergoeding dat in de praktijk kan en mag worden afgekocht.

In 1993 kwam de Satkab-richtlijn (5) waarin op Europees niveau werd vastgelegd dat kabeldoorgifte een (secundaire) openbaarmaking is en dat het recht dat daar betrekking op heeft (grotendeels (6)) verplicht collectief (dus via cbo’s) moet worden uitgeoefend. Dit werd in 1996 vastgelegd in artt. 26a t/m e Auteurswet (7).  In die Satkab-richtlijn werd ook vastgelegd dat bij satellietuitzendingen binnen Europa het oorsprongsland beginsel gold: alléén in het land waar werd (uit)gezonden (‘geüplinkt’) naar de satelliet was auteursrechtelijke toestemming nodig.

In 1993 kregen uitvoerend kunstenaars, fonogrammenproducenten en omroepen hun eigen naburige recht dat sterk lijkt op het auteursrecht. In 1995 kregen ook filmproducenten (bovenop het auteursrecht dat aan hen wordt overgedragen) een eigen naburig recht, (8) maar dat is beperkt tot het reproductierecht,  het distributierecht en het ‘mededeling aan het publiek’  (‘on demand’) -recht. Uitzenden en kabeldoorgifte vallen daar niet onder.

Per 11 december 2006 werd door de Nederlandse publiek omroep het analoge ethersignaal ‘afgeschakeld’ en sindsdien is de meeste kabeldoorgifte in Nederland geen secundaire kabeldoorgifte meer, maar een primaire (9). Er gaat immers geen andere (ether of satelliet) uitzending aan vooraf. Het signaal wordt opgehaald bij de ‘Media Gateway’, of er is sprake van een andere vorm van ‘directe injectie’ in kabelnetwerken. Uitzending via de kabel werd een primaire openbaarmaking. En dat had verstrekkende consequenties. Het kabelcontract, het verplicht collectieve beheer en de aansluitingscontracten van de meeste cbo’s waren niet op die uitzendvorm van toepassing. Althans, dat vonden de kabelaars. Zij dreigden te stoppen met betalen aan de cbo’s en deden dat soms ook. Bij wie lagen en liggen de ‘primaire kabelrechten’? Liggen ze bij de producent op grond van (het vermoeden van) overdracht of bij de cbo’s, op grond voorafgaande overdracht? Daar wordt nog steeds over geprocedeerd.

In 2015 probeerde de wetgever dit probleem al op te lossen door in het nieuwe auteurscontractenrecht in art. 45d lid 2 Aw aan de ‘belangrijke filmmakers’ (scenarioschrijver en regisseur (10)) een nieuwe aanspraak op een ‘proportionele billijke vergoeding’ te geven die alleen door cbo’s kan worden geïncasseerd ten aanzien van alle uitzendvormen. Dus ongeacht of ze als secundaire of primaire openbaarmaking zijn aan te merken (11).  Zo konden Lira en Vevam (weer) ‘kabelgelden’ (blijven) incasseren (12),  nu niet meer op grond van art. 26a Aw, maar op basis van art. 45d lid 2 Aw. Deze nieuwe constructie functioneert op zich wel (13). Een kritiekpunt is dat ‘niet-belangrijke makers’, - dus anderen dan scenarioschrijvers, regisseurs en hoofdrolspelers- , via de nieuwe constructie geen vergoedingsaanspraak meer hebben. Cameralieden, ondertitelaars, nasynchronisatie-insprekers (‘dubbing artists’) en bijrolacteurs behoren tot de categorieën die nu geen kabelgeld meer (kunnen) krijgen.

In 2015 besliste het HvJ EU in de zaak SBS/Sabam dat directe injectie in een kabelnetwerk door een omroep geen ‘mededeling aan het publiek’ oplevert (14).

Dit is de huidige situatie.

Na de bespreking van de voorgeschiedenis, nu de maatregelen die de online omroep richtlijn omvat.
1. Het oorsprongslandbeginsel voor bepaalde ondersteunende online-omroepdiensten;
2. Verplicht collectief beheer voor doorgifte van radio- en televisieprogramma’s;
3. Regeling voor uitzending van radio- en televisieprogramma’s via directe injectie (15).

Het oorsprongslandbeginsel
Eerst wordt hier de nieuwe toepassing van het oorsprongslandbeginsel besproken, dat tot nu toe alleen gold voor satellietuitzendingen en is vastgelegd in artikel 47b Aw.
Het zou natuurlijk veruit het makkelijkst zijn als voor alle openbaarmakingen op internet in de hele wereld alle auteursrechten op één plek zouden kunnen worden geregeld. Bij voorbeeld in ‘het land van oorsprong’.  Maar dat is heel ingewikkeld, zo niet onmogelijk. Dat komt omdat veel auteursrechten territoriaal zijn opgesplitst en veel rechthebbenden er belang bij hebben dat dat zo blijft. En omdat op internet niet echt gesproken kan worden van een ‘land van oorsprong’.  Iedereen kan een werk overal en nergens ‘in the cloud’ zetten via een provider die overal kan zitten op een (gehuurde) server die overal kan staan. Wat bij de satelliet-uplink binnen de EU nog wel kon (zie hiervoor) kan bij internet dus niet.

‘Ondersteunende online diensten’
Voor een heel kleine categorie werken is het nu wel gelukt om een oorsprongsland aan te wijzen en het bijbehorende beginsel daarop toe te passen: ‘ondersteunende online diensten van omroeporganisaties’ (16).  Daarvoor bleek het mogelijk de lidstaat binnen de EU waar de betreffende omroep zijn hoofdvestiging heeft als oorsprongsland aan te wijzen. Het gaat dan om ‘diensten’ die ‘ondersteunend’ zijn aan een reguliere omroepuitzending door die omroep (17). En dan is er voor televisie ook nog eens de beperking tot nieuws- en actualiteitenprogramma’s en andere programma’s die volledig door de omroep zijn gefinancierd en waarop zij dus zelf alle rechten hebben. Het gaat dus nadrukkelijk niet om speelfilms, sportevenementen en alle ander werken waar omroepen niet zelf alle rechten op hebben. Alleen dit soort programma’s mogen door de omroep online worden gezet op het ‘open internet’ met alleen rechten clearance in het thuisland. Bij vaststelling van de vergoeding daarvoor kan en moet dan logischerwijs wel rekening gehouden met het totale publiek in binnen- en buitenland. Voor radioprogramma’s gelden deze beperkingen tot zelfgeproduceerde programma’s niet. Dit komt allemaal vast te liggen in een nieuw artikel 47c Auteurswet.

Verplicht collectief beheer voor doorgifte van programma’s
Dan nu de doorgifte van programma’s. De richtlijn schrijft voor dat de rechten met betrekking tot (alle) gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte van uitgezonden programma’s door een andere partij dan de omroep zelf, alleen nog collectief kunnen worden uitgeoefend. Via cbo’s dus. De richtlijn spreekt van ‘doorgifte, anders dan de doorgifte via de kabel’, omdat de doorgifte via de kabel op grond van die eerdere Satkab-richtlijn uit 1993 al verplicht collectief was. Het gaat hier nu om doorgifte van alle uitgezonden programma’s wanneer die voorafgaande uitzending wordt verricht ‘per draad of via de ether, met inbegrip van satellietuitzending, maar niet via online-uitzending’.  Dus programma’s die (alleen) online zijn ‘uitgezonden’ vallen niet onder dit verplicht collectieve regime. Verder is van groot belang dat onder dit verplicht collectieve doorgifte recht niet valt het recht om een programma op het ‘open internet’ door te geven. Doorgifte via internet mag alleen binnen ‘beheerde omgeving’: ‘een omgeving waarin een exploitant van een doorgiftedienst een beveiligde doorgifte verricht aan bevoegde gebruikers’. Kabelexploitanten en andere distributeurs mogen binnen dit recht dus wel programma’s doorgeven ‘via internet’ (met gebruikmaking van IP (internet protocol) technologie), maar alleen aan abonnees (‘bevoegde gebruikers’).

Om dit te bewerkstelligen stelt het Ministerie in het conceptwetsvoorstel nu voor om aan artikel 12 Auteurswet twee leden (8 en 9) toe te voegen. Artikel 12 lid 8 definieert ‘doorgifte via de kabel’ en is inhoudelijk gebaseerd op de Satkab-richtlijn uit 1993. Artikel 12 lid 9 definieert ‘doorgifte anders dan via de kabel’ en is inhoudelijk gebaseerd op de nieuwe online omroeprichtlijn.

Vervolgens worden die twee vormen van ‘doorgifte’ in artikel 26a echter weer op één hoop gegooid:
Het recht om toestemming te verlenen voor de doorgifte van een werk via de kabel of langs andere weg kan uitsluitend worden uitgeoefend door een collectieve beheersorganisatie […]’ [cursief toegevoegd]

Waarom eerst onderscheid maken om beide typen doorgifte om ze vervolgens weer op één hoop te gooien?? Dat komt omdat er een klein verschil zit tussen de beide definities van doorgifte: bij de ‘doorgifte via de kabel’ gebaseerd op de Satkab-richtlijn uit 1993 werd de voorafgaande ‘online-uitzending’ niet uitgezonderd. (Want die bestond toen nog niet!). Nu wordt bij de doorgifte ‘langs andere weg’ gebaseerd op de nieuwe Richtlijn de voorafgaande ‘online-uitzending’ wél uitgezonderd. Vandaar deze twee definities van ‘soorten doorgifte’ die vervolgens hetzelfde behandeld worden. Is dit nodig? Volgens mij niet. Volgens mij is het goed mogelijk om de definitie van kabeldoorgifte uit 1993 zo te lezen dat ook die geen betrekking heeft op ‘uitzendingen’ die uitsluitend online hebben plaatsgevonden. Omdat die toen nog niet bestonden en dus niet vallen onder hetgeen toen onder ‘uitzenden’ werd verstaan.
 
Overigens zijn en blijven omroepen wat betreft hun eigen naburige rechten en hun eigen auteursrechten uitgezonderd van verplicht collectief beheer. Dit stond en blijft staan in art. 26a lid 4 Aw.

Directe injectie
Dan de ‘directe injectie’.  Nu lijkt dit de uitzendvorm te zijn die momenteel in Nederland veruit het meest voorkomt: NPO, RTL en Talpa TV (voorheen SBS) ‘injecteren’ immers ‘rechtstreeks’ in de netwerken van Ziggo, KPN en andere (kabel)distributeurs. Dergelijke injectie valt volgens de Nederlandse rechtspraak niet onder (kabel)’doorgifte’, omdat er geen (gelijktijdige) ‘eerste uitzending’ aan ‘vooraf gaat’.  Maar volgens artikel 8 van de Richtlijn is iets alleen ‘direct injectie’ als de betreffende omroep de programmadragende signalen niet ook gelijktijdig en direct uitzendt naar het publiek. Onder ‘direct uitzenden naar het publiek’ valt free-to-air (‘openbaar’ en gratis beschikbaar stellen van het signaal), maar volgens mij ook bijvoorbeeld een gecodeerde satellietuitzending waarbij decodeersleutels beschikbaar worden gesteld aan eindgebruikers. En dat doen NPO, RTL en Talpa TV allemaal ook. De NPO zendt NPO 1, 2 en 3 ook free to air uit via digitenne. En RTL en Talpa TV zenden gecodeerd uit via de satelliet, dat gebeurt door Canal Digitaal, en daar worden decodeersleutels beschikbaar bij gesteld. Volgens mij is dat ook ‘uitzenden aan het publiek’ (vgl. art. 12 lid 7 Aw) en is de directe injectie door RTL en Talpa TV dus ook geen directe injectie in de zin van art. 8 Richtlijn en art. 12c Aw als voorgesteld. Gezien de definities in art. 12 lid 8 en 9 is ‘directe injectie’ die in Nederland plaatsvindt door NPO, RTL en Talpa TV na de voorgestelde implementatie juridisch te kwalificeren als ‘doorgifte’...

‘Direct injectie’ valt, zoals hierboven besproken, in Nederland nu wel onder de proportionele billijke vergoeding van art. 45d lid 2 Aw.

Ten aanzien van de directe injectie bepaalt artikel 8 lid 1 van de Richtlijn dat deze beschouwd moet worden als ‘één enkele handeling van mededeling aan het publiek’,  waarvoor de omroeporganisatie en de distributeur ‘toestemming van de rechthebbenden verkrijgen’. Aangezien het om één enkele handeling gaat lijkt daar ook maar één toestemming voor nodig.

Maar in ov. 20 bij de Richtlijn staat dat er sprake is van ‘een enkele handeling van mededeling aan het publiek’,   

‘waaraan zowel de omroeporganisaties als de distributeurs van signalen met hun respectieve bijdragen deelnemen. De omroeporganisaties en de distributeurs van signalen moeten derhalve van de rechthebbenden toestemming verkrijgen voor hun specifieke bijdrage aan de enkele handeling van mededeling aan het publiek. De deelname van een omroeporganisatie en een distributeur van signalen in die enkele handeling van mededeling aan het publiek mag geen aanleiding geven tot gezamenlijke aansprakelijkheid van de omroeporganisatie en de distributeur van signalen voor die handeling van mededeling aan het publiek’.

één enkele handeling van mededeling aan het publiek’, maar twee bijdragen daaraan … Dus twee toestemming vereist, en twee betalingen??  Uit de tekst van art. 8 Richtlijn blijkt dit geenszins, maar in overweging 20 staat dit dus met zoveel woorden…  Hoe zit dit nu?(18)

In het voorgestelde art. 12c Aw staat:

‘Wanneer een omroeporganisatie de programmadragende signalen rechtstreeks aanlevert bij degene die de doorgifte via de kabel of langs andere weg verzorgt aan het publiek zonder dat de omroeporganisatie de signalen zelf gelijktijdig uitzendt naar het publiek, is er sprake van een enkele openbaarmaking van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk waarvoor de omroeporganisatie en degene die de programmadragende signalen aan het publiek overbrengt gezamenlijk verantwoordelijk zijn’.

Gezamenlijk verantwoordelijk, maar niet gezamenlijk aansprakelijk? Of elk voor hun ‘eigen bijdrage’ aan de ‘enkele handeling’?

Artikel 8 lid 2 bepaalt dat lidstaten er voor kiezen om ook dit recht verplicht collectief te laten uitoefenen. En daar kiest Nederland voor in het conceptwetsvoorstel. In een nieuw art. 12c Aw wordt de ‘directe injectie’ gedefinieerd.  En in een nieuw artikel 26cc (moet volgens mij zijn art. 26ca) wordt de verplicht collectieve uitoefening ervan vastgelegd.

Geldt dat verplicht collectieve beheer dan enkel voor de ‘bijdrage’ van de kabelaar aan de enkele openbaarmaking bij direct injectie? Of ook voor de bijdrage daar aan door de omroep?
Maar met die keuze voor verplicht collectief beheer wordt er ook voor gekozen om de ‘directe injectie’ weer weg te halen uit de verplicht collectieve proportionele billijke vergoeding van art. 45d lid 2 Aw. Anders wordt het misschien een beetje te veel van het goede: én een verplicht collectieve uitoefening van een verbodsrecht én een verplicht collectieve proportionele billijke vergoeding op dezelfde uitzendhandeling. En dat gebeurt dan ook. Maar daarmee wordt het wel ingewikkeld.

Want het uitzendrecht, zowel de doorgifte als de directe injectie, worden ook verwijderd uit het vermoeden van overdracht aan de filmproducent! Het nieuwe art. 45d lid 2 bepaalt:
‘Het wettelijk vermoeden van overdracht [van art. 45d lid 1 Aw] is niet van toepassing op het recht om toestemming te verlenen voor de openbaarmaking als bedoeld in artikel 12, eerste lid, sub 6 en artikel 12c’.

Als dit wet wordt kunnen Lira en Vevam zich weer via art. 26a-d beroepen op een verplicht collectief verbodsrecht voor doorgeven én direct injecteren. Daarmee is misschien de angel uit het slepende conflict tussen de kabelexploitanten enerzijds en Lira, Vevam en Norma anderzijds. De vraag of auteurs en acteurs het vermoeden van overdracht kunnen ‘doorkruisen’, ‘omzeilen’ of ‘voorkomen’ door vooraf hun rechten aan hun cbo over te dragen, is voor de belangrijkste exploitatievormen (injecteren en doorgeven) niet meer relevant. Voor VOD, free to air en andere exploitatievormen blijft het wel van belang.

Uitzondering op het vermoeden van overdracht

Maar daarmee zijn we er niet, want in de praktijk vertrouwen filmproducenten niet alleen op dat vermoeden van overdracht, maar werken ze met een expliciete schriftelijke overdracht van alle denkbare rechten. Daarom vervolgt het nieuwe art. 45d lid 2:
‘Indien de makers deze [doorgifte & injectie]rechten schriftelijk aan de producent hebben overgedragen, dan is eenieder die het filmwerk op vorenbedoelde wijze openbaar maakt aan de makers een proportionele billijke vergoeding verschuldigd’.

Als die doorgifte & injectierechten worden overgedragen blijft de proportionele billijke vergoedingsaanspraak jegens de omroep en/of ‘doorgevende’ exploitant bestaan. Sterker nog, die geldt dan voor alle makers, niet alleen voor de scenarioschrijver en de regisseur.

Ook voor enkele andere openbaarmakingsvormen (niet doorgeven of injecteren) blijft de verplicht collectieve proportionele billijke vergoeding bestaan:
‘Eenieder die het filmwerk op andere wijze dan vorenbedoeld mededeelt [dus anders dan doorgeven of injecteren] aan het publiek, met uitzondering van de beschikbaarstelling van het filmwerk op zodanige wijze dat het filmwerk voor de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk, is aan de hoofdregisseur en de scenarioschrijver van het filmwerk die deze rechten aan de producent heeft overgedragen een proportionele billijke vergoeding verschuldigd’.
Hierbij moet gedacht worden aan free to air uitzenden via ether of satelliet en aan de openbaarmaking van televisieprogramma’s ter plaatse, waarvoor Videma incasseert, mede namens
Lira, Vevam en Norma. Voor vertoning in de bioscoop geldt deze proportionele vergoedingsaanspraak niet, omdat daarbij het signaal niet van elders afkomstig is. En dat is wel vereist voor de Europese ‘mededeling aan het publiek’. De wettelijke proportionele vergoedingsaanspraak geldt ook niet voor VOD. Maar daarvoor bestaat de ‘vrijwillige’ proportionele billijke vergoeding, die hier verder even buiten beschouwing blijft om door de bomen het zicht op het bos niet geheel te ontnemen.

Nieuw naburig filmproducentenrecht
Maar we zijn er nog niet met deze reshuffle van rechten. Omdat de uitzendrechten en de doorgifte rechten uit het vermoeden van overdracht zijn gehaald, kan het zo zijn dat een filmproducent die niet met een schriftelijke overdracht werkt, zelf helemaal geen verbodsrecht meer heeft ten aanzien van uitzenden en doorgeven! Dat is ook weer niet de bedoeling. Om dat op te lossen tapt het Ministerie uit een ander vaatje. Filmproducenten krijgen in art. 7A WNR een nieuw, eigen naburig uitzendrecht! Daarbij is nog wel een puntje van de aandacht dat art. 7A WNR alleen geldt voor Europese filmproducenten. Amerikaanse filmproducenten kunnen er bijvoorbeeld dus geen beroep op doen …(19) Dat betekent dat Amerikaanse filmproducenten dit nieuwe naburige recht niet hebben. Nu zullen zij altijd wel gebruik maken van een schriftelijke overdracht of zullen de rechten op andere gronden bij hen berusten.

Berner Conventie
Een en ander roept wel de vraag op of deze nieuwe constructie niet in strijd is met art.14bis lid 2 van de Berner Conventie:
‘In de landen van de Unie waar de wetgeving als rechthebbenden mede erkent de auteurs die bijdragen hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk kunnen dezen, wanneer zij zich verbonden hebben tot het leveren van die bijdragen, behoudens andersluidende of bijzondere bepalingen, zich evenwel niet verzetten tegen de verveelvoudiging, het in omloop brengen, de openbare opvoering en uitvoering, de overbrenging per draad aan het publiek, de radio-uitzending, de mededeling aan het publiek, het aanbrengen van ondertitels en het nasynchroniseren van de teksten van het cinematografische werk’ (onderstreping toegevoegd).
Wat dat betreft was de proportionele billijke vergoeding ‘veiliger’. Maar misschien zie ik iets over het hoofd.

(Voorlopige) conclusie
Met die ‘ondersteunende online omroepdiensten’ zal het allemaal wel los lopen. Al was het maar vanwege het gebrek aan economisch belang. Speelfilms, sportevenementen en al het andere extern geproduceerde werk valt er immers niet onder.
De reshuffle van alle ‘kabel en niet-kabel’- doorgifte én uitzendrechten terug van art. 45d lid 2 naar art. 26a-d Aw is op zich wel elegant. Liever dan wel alle doorgifte onder één definitie.
Het weghalen van de doorgifte en uitzendrechten uit het vermoeden van overdracht kan ik nog niet goed overzien. Laat art. 14bis lid 2 BC dat toe? Is de reparatie in art. 7A WNR zinvol en voldoende?
Het is de bedoeling dat er met deze reshuffle van kabelrechten in de praktijk niks verandert. Met name is de gedachte dat de vergoedingen niet (veel hoeven te) veranderen. We zullen zien. In ieder geval kan de vlag uit bij de cameralieden, ondertitelaars en nasynchronisatie-insprekers (‘dubbing artists’) en bijrolacteurs die straks (weer) mogen meedelen in de kabelrechten.

Dit artikel is geschreven door Dirk Visser, Universiteit Leiden en Visser Schaap & Kreijger. Vrijdag 4 oktober vindt de studiemiddag van VvA plaats [IEF 18707].

(1) https://www.internetconsultatie.nl/online_omroepdiensten.
(2) Richtlijn (EU) nr. 2019/789 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad (‘de Richtlijn’).
(3) Daar tussen zat nog de ‘draadomroep’ waar eind jaren ’50 al veel over te doen was. Zie over een en ander uitgebreid Gerard Mom (1950-2018) Kabeltelevisie en auteursrecht, diss. UvA, Vermande 1990.
(4) HR 30 oktober 1981, NJ 1982, 435 en HR 25 mei 1984, NJ 1984, 697 (Amstelveense kabel I en II).
(5) Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel.
(6) Omroepen mochten hun eigen rechten blijven uitoefenen.
(7) Inmiddels was er sinds 1993 ook een Wet op de Naburige Rechten (WNR) waarin een vergelijkbare regeling werd opgenomen in art. 14a-d. WNR. Sindsdien is er steeds in de WNR een nabuurrechtelijke pendant opgenomen van de auteursrechtelijke kabelrechten.
(8) Vastgelegd in  artikel 7a WNR.
(9) Zie bij. Visser, ‘Primair openbaar maken via de kabel’, AMI 2007-2, p. 37-44. De doorgifte van bepaalde buitenlandse zenders waarvan het signaal niet rechtstreeks wordt aangeleverd bleef secundaire openbaarmaking.
(10) En in de WNR de hoofdrolspelers.
(11) Deze nieuwe aanspraak heeft ook betrekking op de openbaarmaking van televisieprogramma’s ter plaatse, in cafés, hotels en ander openbare ruimtes.
(12) Norma incasseert namens hoofdrolspelers.
(13) De problemen zitten momenteel bij de ‘vrijwillige’ proportionele billijke vergoeding voor video-on-demand (VOD), die (juist) niet onder een wettelijke regeling valt. Daar bestaan bepaalde ‘outsiders’, zoals Netflix, die (nog) niet meedoen.
(14) HvJ EU 19 november 2015, C-325/14, ECLI:EU:C:2015:764, SBS Belgium/Sabam.
(15) Concept MvT, eerste ongenummerde pagina.
(16) Artikel 3 van de Richtlijn.
(17) ‘Een onlinedienst bestaande in het aanbieden aan het publiek, door of onder controle en verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie, van televisie- of radioprogramma's gelijktijdig met of voor een bepaalde periode na de uitzending ervan door de omroeporganisatie, alsmede van materiaal dat een ondersteuning vormt voor die uitzending’, definitie opgenomen in art. 2 lid 1 van de Richtlijn.
(18) In de Belgische auteurswet staat sinds 1 juli 2019 in art. XI.226/1: ‘Niettegenstaande de enige aard van de mededeling aan het publiek via directe injectie, zijn de omroeporganisatie en de distributeur van signalen elk slechts gehouden tot hun respectievelijke bijdrage in deze handeling van mededeling aan het publiek. De bijdrage van de omroeporganisatie bestaat erin haar programmadragende signalen door te geven aan een distributeur van signalen zonder dat die signalen tijdens en naar aanleiding van die doorgifte toegankelijk zijn voor het publiek. De bijdrage van de distributeur van signalen bestaat erin om die signalen vervolgens naar zijn respectievelijke abonnees te sturen, zodat deze de programma's kunnen ontvangen’.
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=2013022819&table_name=wet
(19) Tenzij de film in Nederland is opgenomen of binnen dertig na de eerste uitgave in Nederland in het verkeer is gebracht.