IEF 19780

Conclusie P-G: deel klachten van voormalig GVB-bestuurder gegrond

HR Conclusie P-G  29 januari 2021, IEF 19780, IT 3414; ECLI:NL:PHR:2021:78 (Eiser tegen GVB) In deze zaak vordert een voormalig directeur van het Amsterdamse GVB een declaratoir dat een persbericht en vervolgens een publicatie in het jaarverslag 2012 over hem onrechtmatig zijn, alsmede rectificatie en schadevergoeding. Er was in het voorjaar van 2012 –  eiser was toen al twee jaar geen directeur meer van het GVB – commotie ontstaan door publicaties in de Telegraaf over vermeende fraude bij het GVB. De raad van commissarissen (RvC) heeft die beschuldigingen laten onderzoeken door extern accountantsbureau BDO. Aan de uitkomsten heeft de RvC vervolgens conclusies verbonden, die middels een persbericht en later opnieuw in het jaarverslag over 2012 naar buiten zijn gebracht. De strekking van die conclusies was onder andere dat uit de feiten blijkt dat er structureel sprake is geweest van bestuurlijk gedrag dat niet voldoet aan de regels van good governance, dat ziet op regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid. Hieraan verbond de RvC als consequentie dat de nog in functie zijnde resterende twee directieleden niet konden worden gehandhaafd als bestuurders.

Deze verstrekkende conclusies zijn volgens eiser niet te baseren op de BDO-rapportage en suggereren dat er structureel niet integer is gehandeld door het toenmalige bestuur, terwijl er volgens hem op grond van het BDO rapport alleen kon worden geconcludeerd dat over een periode van zes jaar in vijf op de honderd gevallen niet is aanbesteed waar dat wel had gemoeten en er sprake was van “opknippen” van opdrachten in dit verband dat riekt naar opzet. Aldus is hij in zijn eer en goede naam aangetast en is zijn privacy geschonden en middels deze procedure zoekt hij eerherstel. In cassatie klaagt hij onder meer dat bedoeld kernbezwaar te stiefmoederlijk is behandeld door het hof [IEF 18674] en ook ten onrechte is verworpen dat hij had behoren te worden gehoord door de RvC alvorens tot publicatie zou zijn overgegaan. Een deel van de klachten die zien op het eerste aspect (stiefmoederlijke behandeling kernbezwaar) is volgens P-G Van Peursem gegrond.

2.17
De motiveringsklachten van onderdeel 1 in randnummers 10-12 raken de kern van de zaak en gaan volgens mij in hoofdzaak op. Het betoog komt er kort samengevat op neer dat het hof niet voldoende kenbaar is ingegaan op het hoofdbezwaar van [eiser] in deze procedure. Dat is dat de RvC onder het kopje good governance in brede termen conclusies trekt uit het BDO-rapport, die daar feitelijk niet op te baseren zijn - de conclusievlag dekt de BDO-lading niet - en daarom te verstrekkend en te suggestief en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] zijn. Volgens [eiser] wordt de conclusie onder het kopje good governance dat er structureel sprake was van bestuurlijk gedrag dat niet voldeed aan de regels van good governance voor wat betreft aspecten van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid, niet door de onderzoeksresultaten van BDO gedragen (zoals de conclusies onder het kopje niet-naleving van aanbestedingsregels dat wel worden). Door de betreffende verwijten die ter zake dienend zouden zijn voor de conclusies onder dit kopje good governance niet concreet te benoemen in haar publicaties van persbericht en jaarverslag23, suggereert de RvC daarmee dat er veel meer aan de hand is dan er feitelijk is geconstateerd door BDO, althans bieden deze conclusies als gepubliceerd zonder nadere context daar ruimte voor. Die (suggestie van) niet integer handelen van [eiser] als bestuurder is onrechtmatig en schadelijk. Om dit kernbetoog is het hof volgens de motiveringsklachten van onderdeel 1 in randnummers 10-12 volledig heen gezeild, het is niet terug te vinden in de verschafte motivering voor zijn oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door GVB met de gewraakte publicaties, zodat dit oordeel gelet op de betrokken stellingen van [eiser] terzake niet toereikend is gemotiveerd. Daarmee zijn volgens de klacht in randnummer 12 ook de betreffende essentiële stellingen van [eiser] ten onrechte gepasseerd.