IEF 16292

Conclusie AG: Emissierechten zijn voor de btw-richtlijn aan IE-rechten soortgelijke rechten

Conclusie AG HvJ EU 7 september 2016, ECLI:EU:C:2016:639; C‑453/15 (emissierechten voor btw-richtlijn) BTW. Fiscaal. Hoewel emissierechten niet dezelfde doelstelling als een intellectuele-eigendomsrecht hebben (een menselijke scheppende activiteit beschermen), lijkt het de advocaat-generaal bij het HvJ EU vast te staan dat deze twee categorieën voor de analyse van artikel 56 van de btw-richtlijn vergelijkbaar zijn.

Het begrip ‚andere soortgelijke rechten’ in de zin van artikel 56, lid 1, onder a), btw-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op emissierechten zoals omschreven in artikel 3, onder a), van richtlijn broeikasgasemissierechten.

4.        Artikel 56, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:

„1.      De plaats van de volgende diensten die worden verricht voor afnemers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of voor belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, is de plaats waar de afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats:

a)      de overdracht en het verlenen van auteursrechten, octrooien, licentierechten, fabrieks‑ en handelsmerken, en andere soortgelijke rechten;

55.      De derde voorwaarde stelt dat de emissierechten in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/87 „andere soortgelijke rechten” vormen, dit wil zeggen van dezelfde soort als „auteursrechten, octrooien, licentierechten, fabrieks‑ en handelsmerken”. Het woord „soortgelijk” is hier belangrijk, want A beoogt te beargumenteren dat deze rechten „identiek” moeten zijn, hetgeen kennelijk niet overeenstemt met het vereiste van artikel 56, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn.

62.      Bij nader inzien bestaan er bovendien belangrijke punten van overeenkomst tussen de industriële eigendom en de emissierechten:

a)      beide rechten zijn beschermd en worden belichaamd in een titel die de houder aan derden kan overdragen (enkel de houder van een emissierecht is ertoe gemachtigd gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten(24));

b)      zoals het Bundesgerichtshof in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft aangegeven(25), hebben beide rechten als kenmerk dat de wetgever de houder ervan een absoluut recht toekent, in die zin dat de houder, met uitsluiting van derden, de exclusieve bevoegdheid heeft om dat recht te gebruiken en te exploiteren, ook al heeft het intellectuele-eigendomsrecht alle kenmerken van een eigendomsrecht, dat wil zeggen usus, fructus en abusus, terwijl de eigendom met betrekking tot een emissierecht geen burgerlijke vruchten kan geven (fructus, te weten via een licentierecht);

c)      beide categorieën bevatten in geld waardeerbare rechten, want de waarde van auteursrechten, octrooien en merken wordt, net zoals de waarde van emissierechten, bepaald volgens het spel van vraag en aanbod op de markt;

d)      bepaalde intellectuele-eigendomsrechten moeten zoals emissierechten in een openbaar register worden ingeschreven. De exclusiviteit van het exploitatierecht is het gevolg van de duidelijke toewijzing in het register van emissierechten. De broeikasgasemissierechten zijn duidelijk elektronisch te identificeren en kunnen op de rekening van slechts één enkele houder worden geboekt. Bijgevolg kan enkel de rekeninghouder over het emissierecht beschikken, hetzij door het te gebruiken om zijn inleverplicht na te komen (overeenkomstig de wetgeving inzake de handel in emissierechten), hetzij door het te verkopen en het over te dragen op de rekening van een andere houder;

e)      beide categorieën van rechten zijn in de tijd beperkt, ook al is de „levensduur” van het intellectuele-eigendomsrecht langer;

f)       bovendien is in beide gevallen de houder van het recht, na overdracht, niet langer gerechtigd het betrokken recht te gebruiken. Bijgevolg haalt de houder economisch voordeel uit de overdracht van broeikasgasemissierechten en kan de overdracht van deze rechten, uit het oogpunt van de btw, worden vergeleken met de overdracht van octrooien, merken, licenties of auteursrechten.

65.      Hoewel emissierechten niet dezelfde doelstelling als een intellectuele-eigendomsrecht hebben (een menselijke scheppende activiteit beschermen), lijkt mijns inziens vast te staan dat deze twee categorieën voor de analyse van artikel 56 van de btw-richtlijn vergelijkbaar zijn.

66.      In dit opzicht is uit het oogpunt van de fiscale behandeling de mogelijkheid van deze rechten om toegevoegde waarde te creëren van belang. In casu is aan deze voorwaarde voldaan want via de overdracht van emissierechten of via de overdracht van octrooien, en zelfs van auteursrechten, oefent de houder van het recht zijn recht om te beschikken uit in ruil voor een bepaalde prijs.

Gestelde vraag:

"Dient artikel 56, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn aldus te worden uitgelegd dat het emissierecht als bedoeld in artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/87 om gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten, dient te worden aangemerkt als een ,soortgelijk recht’ in de zin van [artikel 56, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn]?"