IEF 20341

Conclusie A-G over kosten octrooigemachtigde

HvJ EU Conclusie A-G 11 november 2021, IEF 20341, IEFbe 3322 ;ECLI:EU:C:2021:917 (NovaText GmbH tegen Ruprecht-Karls-Universität Heidelberg) De Universiteit van Heidelberg heeft bij het Landgericht Mannheim tegen NovaText een vordering tot staking van de inbreuk op haar Uniemerken en tot erkenning van haar rechten op deze Uniemerken ingesteld. De vertegenwoordiger van de universiteit heeft in het verzoekschrift gewezen op de bijstand van een octrooigemachtigde. Het geding werd beëindigd door een schriftelijke schikking tussen de partijen. Daarop heeft NovaText bij het Oberlandesgericht Karlsruhe hoger beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking over de begroting van de kosten, voor zover deze zag op de voor rekening van NovaText komende kosten van de octrooigemachtigde.

Het Bundesgerichtshof verzoekt het Hof nu om een prejudiciële beslissing te nemen over de vraag of artikel 3 en artikel 14 van richtlijn 2004/48/ zo moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die de verliezende partij verplicht tot vergoeding van de kosten die de in het gelijkgestelde partij heeft gemaakt. De A-G adviseert het hof dat artikelen 3 en 14 zich verzetten tegen een nationale regeling die de verliezende partij verplicht tot vergoeding van de kosten die de in het gelijkgestelde partij voor de bijstand van een octrooigemachtigde bij een gerechtelijke procedure op het gebied van het merkenrecht heeft gemaakt.

52. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt: 

„De artikelen 3 en 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die de verliezende partij verplicht tot vergoeding van de kosten die de in het gelijk gestelde partij voor de bijstand van een octrooigemachtigde bij een gerechtelijke procedure op het gebied van het merkenrecht heeft gemaakt, los van de vraag of de bijstand van die octrooigemachtigde noodzakelijk was voor een doeltreffende procesvoering.”