IEF 20340

Conclusie A-G over advocaatkosten in buitengerechtelijke stap

HvJ EU Conclusie A-G 11 november 2021, IEF 20340, IEFbe 3321; ECLI:EU:C:2021:918 (Koch Media GmbH tegen FU) Koch Media is een onderneming die computerspellen verkoopt en is op het Duitse grondgebied houdster van de exclusieve naburige rechten op het computerspel “This War of Mine”. FU is een natuurlijk persoon en heeft, zonder een bedrijfs- of beroepsbelang na te streven en in strijd met de rechten van Koch Media, dit computerspel tussen 26 en 28 november 2014 op ten minste dertien tijdstippen via zijn internetaansluiting op een onlineplatform voor filesharing geplaatst en aan derden beschikbaar gesteld voor download. Koch Media heeft een advocatenkantoor in de arm genomen, dat in haar naam een aanmaning naar FU heeft gestuurd waarin onder ander € 20.000 euro schadevergoeding is gevorderd. De diensten van de advocaat brachten € 984,60 met zich mee, deze heeft Koch Media ook van de inbreukmaker gevorderd.

Het Landgericht Saarbrücken stel het hof nu de prejudiciële vragen, of de advocatenkosten die voor de houder van intellectuele-eigendomsrechten zijn ontstaan onder artikel 14 van richtlijn 2004/48 vallen. En of de houder van de intellectuele eigendomsrechten recht heeft op vergoeding van de advocatenkosten wanneer: de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen of het nationale recht in een dergelijk geval bepaalt dat deze advocatenkosten doorgaans slechts vergoedbaar zijn op grond van een verlaagde waarde van de vordering.
De A-G adviseert het hof dat artikel 14 ook betrekking heeft op de kosten voor de bijstand van een advocaat die voor een houder van intellectuele-eigendomsrechten zijn ontstaan wanneer er sprake is van een buitengerechtelijke stap die voorafgaat aan de instelling van een rechtsvordering met hetzelfde doel. Artikel 14 staat (onder voorwaarden) niet in de weg aan nationale regeling. Om te bepalen of de op de inbreukmaker verhaalbare kosten voor de bijstand van een advocaat redelijk en evenredig zijn, moet de rechter alle relevante factoren in acht nemen.

 84. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Landgericht Saarbrücken te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de kosten (honoraria) voor de bijstand van een advocaat die voor een houder van intellectuele-eigendomsrechten zijn ontstaan om een inbreukmaker aan te manen om de inbreuk op die rechten te staken, wanneer er sprake is van een buitengerechtelijke stap die voorafgaat aan de instelling van een rechtsvordering met hetzelfde doel.

2)      Artikel 14 van richtlijn 2004/48 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij, voor de berekening van de op de inbreukmaker verhaalbare honoraria voor de bijstand van een advocaat bij de buitengerechtelijke aanmaning tot staking, de waarde van de vordering wordt geplafonneerd tot 1 000 EUR wanneer de inbreuk op de rechten is gepleegd door een natuurlijke persoon voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, mits de nationale regeling de rechter toestaat in een concreet geval om redenen van billijkheid van deze plafonnering af te wijken.

3)      Om te bepalen of de op de inbreukmaker verhaalbare honoraria voor de bijstand van een advocaat redelijk en evenredig zijn, moet de rechter alle relevante factoren in acht nemen. Daarbij kan het onder meer gaan om de recente aard van het beschermde werk, de duur van de publicatie en de omstandigheid dat de inbreuk bestond in de beschikbaarstelling van dat beschermde werk aan het publiek door het te plaatsen op een vrij toegankelijk online uitwisselingsplatform zonder digital rights management waar het gratis kan worden gedownload.”