IEF 17695

Charlotte Vrendenbarg - Reactie op reactie van Hayke Veldman

Charlotte Vrendenbarg - Reactie op reactie van Hayke Veldman: waarom het amendement de doelstelling van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen dreigt te ondermijnen. VVD-kamerlid Hayke Veldman reageerde op dit forum (IEF 17686) op mijn artikel in het FD van 24 april (IEF 17651). In dat artikel liet ik mij uit over het voorstel van Veldman een redelijke en evenredige proceskostenveroordeling op te nemen in het wetsvoorstel bescherming bedrijfsgeheimen. De reactie van Veldman zelf wordt gewaardeerd en onderstreept de relevantie van het onderwerp. Maar de inhoud van de reactie maakt ook duidelijk dat de proceskostenproblematiek te complex is om in een amendement te vatten, zonder voorafgaand onderzoek en zonder onderliggende parlementaire stukken die de praktijk houvast bieden.

Veldman en ik zijn het erover eens dat vooral kleine partijen een ruime bescherming moeten genieten onder de nieuwe wet. Daarvoor is essentieel dat de toegang tot de rechter voor deze partijen ruim is. Obstakels in de toegang, zoals (het risico van) hoge proceskosten, moeten worden vermeden.

Over de uitwerking blijven Veldman en ik het vooralsnog oneens. De strekking van het amendement is dat de invulling van de redelijkheid en evenredigheid wordt overgelaten aan de rechterlijke macht. Het biedt de rechter maximale vrijheid om maatwerk te bieden. Een volledige proceskostenveroordeling volgt “als hiermee wordt voorkomen dat de kleine ondernemer die een zaak wint alsnog met kosten blijft zitten”. Als een volledige proceskostenveroordeling naar het oordeel van de rechter “onredelijk uitpakt”, dan pas kan hij alsnog het liquidatietarief toepassen. Op die manier wordt het MKB beschermd tegen hoge kosten, aldus Veldman.

Een op maat gesneden proceskostenveroordeling lijkt eerlijk en gunstig voor kleinere partijen. Maar het betekent dat pas bij de uitspraak duidelijkheid ontstaat over de proceskosten. Tegen die tijd zijn al griffierechten betaald en ligt de rekening van de advocaat op de mat. Over de kosten die daar bij mogelijk verlies van de procedure nog bovenop komen, blijft het tot het laatste moment gissen. Het amendement biedt geen enkele garantie dat “kleine ondernemers” per definitie niet meer dan het liquidatietarief hoeven te betalen. Evenmin zeker is dat als de kleine ondernemer wint, hij per definitie recht heeft op een volledige proceskostenvergoeding. De vraag is ook of een volledige vergoeding voor de hand ligt als een kleine ondernemer tegen een mogelijk nog kleinere partij procedeert, zoals een ex-werknemer. En tot welke hoogte zijn proceskosten verschuldigd als de rechter uiteindelijk vaststelt dat geen sprake is van een bedrijfsgeheim, of de inbreuk niet komt vast te staan? Voor kleinere partijen maakt het nogal verschil of de volledige proceskosten verschuldigd worden of “slechts” het liquidatietarief. Juist voor die partijen is van belang dat voorafgaand aan de procedure een redelijke schatting van de maximale proceskosten kan worden gemaakt. Pas dan kan een gedegen afweging worden gemaakt: wordt het procederen, schikken of slikken?

In de IE-praktijk heeft de noodzaak van voorspelbaarheid van het kostenrisico geleid tot de invoering van Indicatietarieven. Volgens Veldman staat de rechter “niets in de weg” om bij conflicten over bedrijfsgeheimen gebruik te maken van deze Indicatietarieven. Maar dat volgt niet uit het amendement. Daarnaast benadrukt Veldman in zijn reactie dat een volledige proceskostenveroordeling steeds mogelijk moet zijn. In de IE-praktijk is gebleken dat als volledige vergoeding een reëel vooruitzicht is, partijen ook aanspraak zullen maken op een volledige vergoeding. Rechters zullen, bij gebreke van richtsnoeren, die kosten vervolgens (moeten) toewijzen (D.J.G. Visser, De vis wordt duur betaald, IEF 16213). Een dergelijke onwenselijke dynamiek in de bedrijfsgeheimenpraktijk moet worden voorkomen.

Kortom, het amendement laat veel onduidelijkheid bestaan over de proceskostenveroordeling in procedures over bedrijfsgeheimen. Aan het amendement is geen onderzoek vooraf gegaan en en er liggen geen parlementaire stukken aan ten grondslag die de praktijk houvast bieden. De rechtsonzekerheid die daarvan het gevolg zal zijn is vooral nadelig voor kleinere partijen. De Eerste Kamer doet er daarom goed aan advies in te winnen (bijvoorbeeld van de Raad van State), alvorens het wetsvoorstel aan te nemen.