IEF 18536

Bevestiging nietigheid driestrepen-merk Adidas

Gerecht EU 19 juni 2019, IEF 18536, IEFbe2903 (Adidas tegen EUIPO) In 2013 heeft verzoekster Adidas bij EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend voor het beeldmerk: „Drie op dezelfde afstand van elkaar geplaatste parallel lopende strepen van gelijke lengte die in welke richting dan ook op de waar zijn aangebracht”. Het merk is onder nummer 12442166 ingeschreven. Interveniënte, Shoe Branding Europe BVBA vorderde daarop nietigverklaring van het betrokken merk. Deze vordering is toegewezen wegens het ontbreken van elk – zowel intrinsiek als door het gebruik verkregen – onderscheidend vermogen. Adidas stelt dat de kamer van beroep ten onrechte talrijke bewijzen buiten beschouwing heeft gelaten omdat deze betrekking hadden op andere tekens dan het betrokken merk en, in de tweede plaats, dat de kamer van beroep de zaak onjuist heeft beoordeeld door vast te stellen dat niet was aangetoond dat het betrokken merk onderscheidend vermogen had verkregen als gevolg van het gebruik dat ervan is gemaakt op het grondgebied van de Unie. Het beroep wordt verworpen.

Het Gerecht van de Europese Unie bevestigt de nietigheid van het Uniemerk van Adidas dat uit drie parallel lopende strepen bestaat zonder dat van belang is in welke richting ze zijn aangebracht. Adidas bewijst niet dat dit merk op het hele grondgebied van de Europese Unie onderscheidend vermogen heeft verkregen door het gebruik dat ervan is gemaakt. Alleen enkele bewijzen die betrekking hadden op slechts vijf lidstaten warem tot op zekere hoogte relevant. Die konden in deze zaak niet op de hele Unie worden toegepast. Het Gerecht merkt op dat bij het betrokken merk geen sprake is van een patroonmerk (dan zou het worden gevormd door een reeks elementen die op regelmatige wijze worden herhaald), maar van een gewoon beeldmerk. Het Gerecht oordeelt vervolgens dat geen rekening kan worden gehouden met de vormen van gebruik die afwijken van de wezenlijke kenmerken van het merk, zoals de kleurencombinatie (zwarte strepen op een witte achtergrond). Daarom heeft het EUIPO op goede gronden diverse door Adidas aangevoerde bewijzen buiten beschouwing gelaten die betrekking hadden op andere tekens, zoals in het bijzonder tekens met een omgekeerde kleurencombinatie (witte strepen op een zwarte achtergrond).

C. Tweede onderdeel: onjuiste beoordeling van de verkrijging van onderscheidend vermogen door gebruik
105 In het kader van het tweede onderdeel van het middel stelt verzoekster in wezen dat de kamer van beroep een beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat zij niet had aangetoond dat het betrokken merk onderscheidend
vermogen had gekregen als gevolg van het gebruik dat ervan was gemaakt in de Unie.
106 Verzoekster stelt zeer veel bewijzen te hebben overgelegd die als geheel moeten worden beoordeeld zonder te letten op hun kleur, de lengte van de weergegeven strepen en de mate waarin deze schuin staan. Uit deze bewijzen
blijkt dat het „merk met drie op dezelfde afstand van elkaar geplaatste parallel lopende strepen” intensief wordt gebruikt, dat het relevante publiek dit merk herkent en dat het dit opvat als aanduiding van de waren van verzoekster. Dit bewijs heeft betrekking op het hele grondgebied van de Unie, zelfs indien uitsluitend wordt gelet op de stukken waarop het betrokken merk in de ingeschreven vorm te zien is.
107 Meteen al moet worden opgemerkt dat verzoekster zich, teneinde aan te tonen dat het betrokken merk onderscheidend vermogen heeft gekregen, niet kan beroepen op alle bewijzen waarop een merk met drie op dezelfde afstand
van elkaar geplaatste parallel lopende strepen te zien is. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het middel volgt immers dat uitsluitend de bewijzen relevant zijn die het betrokken merk in de ingeschreven vorm tonen, of,
bij gebrek daaraan, in al met al gelijkwaardige vormen. Daardoor zijn de vormen van gebruik met een omgekeerde kleurencombinatie uitgesloten, alsook die waarbij andere wezenlijke kenmerken van het betrokken merk
afwezig zijn.

1. Relevantie van de overgelegde bewijzen
(...)
Uit de als bijlage bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt evenwel niet dat deze stukken een aanzienlijk aantal bewijzen bevatten waarin tekens zijn weergegeven die globaal equivalent zijn aan de ingeschreven vorm van het betrokken merk. In herinnering moet namelijk worden gebracht dat verzoekster enerzijds bij het EUIPO bijna 12 000 bladzijden met bewijzen heeft overgelegd en dat anderzijds zowel de nietigheidsafdeling als de kamer van beroep haar heeft verweten geen bewijzen te hebben overgelegd van het gebruik van het betrokken merk zelf. Vastgesteld moet echter worden dat verzoekster voor het Gerecht niet heeft aangegeven welke van de tijdens de procedure bij het EUIPO overgelegde afbeeldingen het bewijs zouden opleveren dat het aangevraagde merk in de ingeschreven vorm of in globaal equivalente vormen is gebruikt. (...)
119 Ten derde is het weliswaar juist dat sommige van de door verzoekster overgelegde afbeeldingen overeenkomen met het betrokken merk en dat daaruit dan ook een bepaald gebruik van dit merk kan worden afgeleid, maar bij gebreke van enige andere gegevens leveren deze afbeeldingen evenwel geen aanwijzingen op over het belang en de duur van dit gebruik, en ook niet over de gevolgen ervan voor de perceptie van dit merk door het relevante publiek. Bijgevolg volstaan deze afbeeldingen niet als bewijs dat dit gebruik van een zodanige omvang was dat een aanzienlijk deel van het relevante publiek de waren op basis van het betrokken merk als van een bepaalde onderneming afkomstig kan identificeren.