IEF 20112

Beslag op zonnepanelen

Vzr. Rechtbank Rotterdam 9 juli 2021, IEF 20112; ECLI:NL:RBROT:2021:6825 (Bedrijf A tegen bedrijf B) Kort geding. Bedrijf A is onderdeel van een concern dat zich onder meer toelegt op de productie en verkoop van zonnepanelen. Bedrijf B houdt in een aantal landen octrooi op een techniek die wordt gebruikt bij de vervaardiging van zonnepanelen en maakt onderdeel uit van een concern dat zich onder meer toelegt op de productie en verkoop van zonnepanelen. Bijj beschikking van 1 juni 2021 is aan bedrijf B verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag en conservatoir beslag tot afgifte, ten laste van bedrijf A.De vordering tot opheffing van het conservatoir bewijsbeslag wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. De vordering tot opheffing van het conservatoir afgiftebeslag wordt deels toegewezen.

 5.12. Er bestaat dus geen reden om het afgiftebeslag volledig op te heffen.

5.13. Wel ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het afgiftebeslag gedeeltelijk op te heffen. Niet elk beslagen zonnepaneel maakt per definitie inbreuk op het octrooi van [bedrijf B] . Tussen partijen staat immers vast dat [bedrijf B] niet in alle landen waarmee [bedrijf A] zaken doet houder van het/ een octrooi is of zelfs maar stelt te zijn. [bedrijf A] is dan ook gerechtigd om zonnepanelen in Nederland te verkopen die als bestemming hebben een land waarin [bedrijf B] niet de houder van het octrooi is. De voorzieningenrechter acht voorshands aannemelijk dat [bedrijf A] (ook) zonnepanelen verkoopt aan afnemers in landen waar [bedrijf B] niet de houder van het octrooi is.

Daarom wordt het beslag in zoverre opgeheven, met dien verstande dat bepaald zal worden dat [bedrijf B] verplicht is om de beslagen zonnepanelen vrij te geven, indien en voor zover [bedrijf A] tegenover de deurwaarder vervoersdocumenten en koopovereenkomsten toont waaruit blijkt dat de bestemming van de desbetreffende lading zonnepanelen is gelegen in een land waarin [bedrijf B] ook naar haar eigen stellingen niet de houder van het octrooi is.

Door te bepalen dat de bestemming jegens een deurwaarder dient te worden aangetoond, en niet jegens [bedrijf B] , wordt voorkomen dat [bedrijf B] kennis neemt van bedrijfsvertrouwelijke gegevens van [bedrijf A]