IEF 20053

Beschuldigingen grensoverschrijdend gedrag vinden voldoende steun in andere feiten

Rechtbank Midden-Nederland 17 juni 2021, IEF 20053, IT 3570; ECLI:NL:RBMNE:2021:2582 (Eiser tegen gedaagde) Eiser stelt dat gedaagde onrechtmatige uitlatingen over hem heeft gedaan op Twitter. Gedaagde heeft aangegeven dat zij met deze berichten andere vrouwen wil waarschuwen voor het volgens haar manipulatieve en grensoverschrijdende gedrag van eiser. Eiser vordert van de rechtbank, dat gedaagde bevolen wordt om de berichten van haar Twitteraccount te verwijderen en dat zij deze berichten uit verschillende zoekmachines laat verwijderen. De rechtbank weegt in deze zaak het belang van vrijheid van meningsuiting af tegen het belang van het recht op eerbiediging van de eer en goede naam. Omdat de op Twitter geuite beschuldigingen van gedaagde genoeg steun vinden in andere feiten en verklaringen en een deel van de berichten inmiddels verwijderd zijn, oordeelt de rechtbank dat het belang van gedaagde zwaarder weegt. Ze wijst de vorderingen van eiser af.

4.24. [eiser] heeft aangevoerd dat hij in zijn dagelijks leven zowel in privé als beroepsmatig veel nadeel ondervindt van de twitterberichten. Volgens [eiser] heeft hij diverse commerciële opdrachten misgelopen, waaronder nieuwe opdrachten van het blad [naam tijdschrift] . Dit laatste is niet aannemelijk geworden. In een als productie 17 door [gedaagde] overgelegd bericht van mevrouw [E] , de toenmalige chef magazine van [naam tijdschrift] , wordt meegedeeld dat het niet verstrekken van een nieuwe opdracht of het door haar ontvolgen van [eiser] niets met de kwestie tussen [gedaagde] en [eiser] te maken heeft. Verder is ter zitting vast komen te staan dat [eiser] nog steeds opdrachten krijgt. Of en in hoeverre een vermindering van opdrachten aan de berichtgeving van [gedaagde] over [eiser] te wijten is, is dan ook niet bekend. Een kort geding leent zich niet voor een nader onderzoek op dit punt. Aan de onder 4.23 gegeven tussenconclusie wordt dan ook niets afgedaan.

4.25. Op grond van al het voorstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van [gedaagde] in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . De door [eiser] aan [gedaagde] verweten uitlatingen vinden deels in voldoende mate steun in de feiten, zijn voor een deel inmiddels verwijderd en aannemelijk is dat deze verwijderd blijven, dan wel zijn in het geheel van alle berichtgevingen, niet dermate van gewicht dat dit tot toewijzing van (een van) de vorderingen moet leiden.