IEF 18530

Berisping vanwege gegevensuitwisseling Bemoeizorg

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13 juni 2019, IEF 18530, IT&R 2801, LS&R 1716; ECLI:NL:TGZREIN:2019:36 (Klaagster tegen verpleegkundige Bemoeizorg) Tuchtrecht. Gegevensuitwisseling. Privacy. Berisping. Klaagster is door de woningbouwvereniging aangemeld bij Bemoeizorg wegens vreemd gedrag. Verpleegkundige heeft klaagster toegewezen gekregen als cliënte. Tussen klaagster, de verpleegkundige en derden hebben gesprekken plaatsgevonden en op basis daarvan is een aanmeldingsformulier gemaakt. In dit formulier staan gegevens van klaagster, waaronder een diagnose, die zijn uitgewisseld met de gemeente. Klaagster stelt dat de verpleegkundige zich niet aan zijn geheimhoudingsverplichting heeft gehouden en haar privacy heeft geschonden. De verpleegkundige stelt dat er geen vertrouwelijke gegevens zijn uitgewisseld. De klacht wordt gedeeltelijk gegrond verkaard. Bemoeizorg krijgt maatregel van berisping opgelegd.

5. De overwegingen van het college
Met betrekking tot klachtonderdeel 1) overweegt het college als volgt. Verweerder zal in zijn werk bij Bemoeizorg regelmatig te maken krijgen met zorgwekkend en zorgmijdend gedrag van cliënten en problematiek als verwaarlozing, vervuiling en overlast. De aard van de werkzaamheden van verweerder brengt mee dat zo nu en dan druk uitgeoefend moet worden op de cliënt(e) om hulp te aanvaarden. Ook in het kader van Bemoeizorg heeft niettemin als uitgangspunt te gelden dat de rechten van de cliënten, ook als het gaat om privacy, moeten worden gerespecteerd.Deze rechten zijn neergelegd in de wetgeving maar ook in de aanbevelingen. Het college wijst daarbij op de “Handreiking gegevens uitwisseling in de bemoeizorg”, opgesteld door de GGD GHOR Nederland, GGZ Nederland en de KNMG. Een (tijdelijke) beperking van deze rechten, waaronder schending van de privacy, moet worden gezien als een uitzondering op de regel en moet deugdelijk worden gemotiveerd. Daarom is het van groot belang dat verweerder een behoorlijk dossier aanlegt waaruit blijkt of (privacy)rechten van de cliënt zijn geschonden en zo ja wat daar de rechtvaardiging voor is. Alleen dan is het gedrag van verweerder toetsbaar. 
Het college stelt vast dat het dossier van klaagster, zoals dat door verweerder is bijgehouden, enkel een aanmeldingsformulier bevat met daarop een aantal gegevens, zoals bijvoorbeeld naam en adres, diagnose en de aanmeldingsklacht. Andere stukken bevat het dossier van klaagster niet. Klachtonderdeel 1) is dan ook gegrond.

De maatregel
Het college legt aan verweerder de maatregel van berisping op. Hoewel het college, zoals hiervoor overwogen, begrip heeft voor de soms moeilijke positie waarin medewerkers van Bemoeizorg zich bevinden, ontslaat deze positie hen, en in deze casus verweerder, niet van de verantwoordelijkheid om zaken goed te documenteren. Juist om hen daarbij behulpzaam te zijn is er de eerdergenoemde Handreiking gegevensuitwisseling in de bemoeizorg. Verweerder had daarmee voldoende handvatten hoe om te gaan met dossiervorming en privacy maar heeft van deze aanwijzingen kennelijk geen gebruik gemaakt. Daarnaast overweegt het college dat verweerder ook ter zitting zich onvoldoende bewust leek te zijn van de gevolgen die het niet naleven van de regelgeving omtrent de wijze waarop gegevens moeten worden gedocumenteerd en de privacy van klaagster dient te worden geborgd, of van de wijze waarop een inbreuk daarop dient te worden gedocumenteerd. Weliswaar heeft verweerder erkend dat hij ten onrechte geen toestemming had gevraagd aan klaagster maar over de verdere gevolgen was de reactie van verweerder dat dit ook door de enorme werkdruk kwam. Deze enorme werkdruk is echter geen toereikende verklaring voor de hiervoor genoemde (structurele) tekortkomingen.