IEF 19385

Beelden Undercover over misstanden kattenfokkerij niet verboden

Vzr. Rechtbank Amsterdam 23 juli 2020, IT 3211; ECLI:NL:RBAMS:2020:3634 (Eiseressen tegen Noordkaap en Talpa) Kort geding. Privacyrecht. Mediarecht. Eiseressen vorderen een verbod voor Noordkaap en Talpa om het beeld- en geluidmateriaal dat van eiseressen is gemaakt openbaar te maken, vernietiging van het beeld- en geluidmateriaal en schadevergoeding. Noordkaap heeft aangevoerd dat Eiseres 2 niet in de uitzending zal voorkomen, waardoor zij geen belang heeft bij de vorderingen. Eiseres 1 heeft wel spoedeisend belang bij de vorderingen. Het gaat om beelden die misstanden in de kattenfokkerij aan de kaak moeten stellen. Toewijzing van de vorderingen van Eiseres 1 houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 van het EVRM neergelegde grondrecht van Noordkaap en Talpa op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Hierbij dient een belangenafweging gemaakt te worden. Het staat Noordkaap vrij een dergelijk misstand aan de hand van een concreet voorbeeld aan de kaak te stellen, maar de privacybelangen van Eiseres 1 dienen ook zwaar te wegen. Dit belang is er onder meer in gelegen dat zij in een klein dorp woont en in de horeca werkt, waardoor zij makkelijk wordt herkend. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de vorderingen om de beelden te verbieden of te vernietigen worden afgewezen, maar dat Eiseres 1 wel volledig onherkenbaar in beeld moet worden gebracht. Ook de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen. 

4.3. Uitgangspunt is dat toewijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van Noordkaap en Talpa op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, indien de voorgenomen uitzending onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Noordkaap en Talpa is er met name in gelegen dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiseres sub 1] is er met name in gelegen dat haar persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat haar privacy (zoals gewaarborgd in art 8 EVRM) niet onnodig wordt geschonden. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen.

4.10. Een afweging van alle betrokken belangen – zoals hiervoor uiteengezet – leidt er dus toe dat het uitzenden van de beelden niet zal worden verboden en dat geen gebod tot vernietiging van de beelden kan worden uitgesproken. Wel dient [eiseres sub 1] volledig onherkenbaar in beeld te worden gebracht. Dit betekent dat niet alleen haar gezicht, maar ook haar kapsel en gelaat zullen moeten worden geblurd, dat haar stem moet worden vervormd en dat ook haar voornaam niet mag worden genoemd. Ook haar woning en woonomgeving mogen niet herkenbaar in beeld worden gebracht. De hieraan te verbinden dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Met toewijzing van de vorderingen op deze wijze wordt voorshands voldoende aan de (privacy)belangen van [eiseres sub 1] tegemoet gekomen. Voor een veroordeling tot betaling van een schadevergoeding, waaraan in kort geding hoge eisen worden gesteld, is dan ook onvoldoende aanleiding.