IEF 16095

Bedrijf wilde merkenrecht terug en niet onvoorwaardelijk afzien van betalingstermijn Belastingdienst

Hof 's-Hertogenbosch 3 juni 2016, IEF ; ECLI:NL:GHSHE:2016:2190 (bedrijf tegen Inspecteur Belastingdienst)
Fiscaal. Belasting. In het kort: Gelet op de verklaring van belanghebbende tijdens de zitting dat belanghebbende het merkenrecht terug wilde en daarom niet bereid was het niet-betaalde deel van de vergoeding onvoorwaardelijk, dat wil zeggen met behoud van het merkenlicentierecht van het bedrijf, kwijt te schelden acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende niet onvoorwaardelijk heeft afgezien van de betaling van de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen. Nu eind 2008 het bedrijf de beëindiging van de licentieovereenkomst niet erkende en zij evenmin afstand had gedaan van het merkenrecht zijn de voorwaarden waaronder belanghebbende definitief wilde afzien van de vermelde betalingstermijnen niet vervuld.

4.8.
Gelet hierop en mede gelet op de verklaring (van de gemachtigde) van belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank op 7 maart 2012 (proces-verbaal van de zitting, p. 4, eerste alinea) dat belanghebbende het merkenrecht terug wilde en daarom niet bereid was het niet betaalde deel van de vergoeding onvoorwaardelijk, dat wil zeggen met behoud van het licentierecht van [Hof: bedoeld is ‘door’] [bedrijf 1] , kwijt te schelden acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende niet onvoorwaardelijk heeft afgezien van de betaling van de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen. Nu eind 2008 [bedrijf 1] de beëindiging van de licentieovereenkomst niet erkende en zij evenmin afstand had gedaan van het merkenrecht zijn de voorwaarden waaronder belanghebbende definitief wilde afzien van de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen niet vervuld.

Kon [bedrijf 1] eind 2008 niet meer betalen?
4.10.
Voorts heeft belanghebbende na verwijzing aangevoerd dat [dochter bedrijf] niet in staat is geweest met het aan haar gelicentieerde merkenrecht enige omzet van betekenis te realiseren, waardoor zij nooit in staat was te voldoen aan haar betalingsverplichtingen jegens [bedrijf 1] en (dientengevolge) [bedrijf 1] niet jegens belanghebbende.

4.13.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt, dat zij aan het einde van het vierde kwartaal 2008 redelijkerwijs mocht aannemen dat de voldoening van de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen door [bedrijf 1] achterwege zou blijven. Zoals de Inspecteur terecht aanvoert geven de onder 2.20 en 2.21 vermelde jaarstukken geen inzicht in de situatie eind 2008, omdat deze jaarstukken betrekking hebben op de balansdatum 31 oktober 2007. Voorts wijst de Inspecteur er terecht op, dat eind 2008 de stand van zaken was dat [bedrijf 1] de beëindiging van de licentieovereenkomst betwistte, dat [bedrijf 1] het merkenrecht in handen had en dat daarom [bedrijf 1] de mogelijkheid had inkomsten te verkrijgen met het merkenrecht en de betalingen voor de licentieovereenkomst voort te zetten. Hierbij wijst de Inspecteur erop, dat het merkenrecht (volgens belanghebbende) een wezenlijke waarde had. Belanghebbende heeft dienaangaande in de motivering van het hoger beroepschrift van 29 juni 2012 geschreven dat het merk [merk] door derden in juli 2008 gewaardeerd is op € 50.000.000 en op 31 mei 2007 op € 104.000.000. Aldus was eind 2008 ongewis hoe de twist tussen belanghebbende en [bedrijf 1] over de vraag of [bedrijf 1] terecht de betalingen opschortte op grond van de licentieovereenkomst zou aflopen. Dat eind 2008 zou vaststaan, dat [bedrijf 1] het merkenrecht niet zou gaan exploiteren heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenoverwogene en mede gelet op de omstandigheid dat eind 2008 de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen pas nadien verschuldigd zouden zijn op uiterlijk respectievelijk 30 juni 2009, 30 juni 2010 en 28 februari 2011 heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs mocht aannemen dat (reeds) eind 2008 aannemelijk was dat de voldoening van de onder 4.2 vermelde betalingstermijnen op uiterlijk respectievelijk 30 juni 2009, 30 juni 2010 en 28 februari 2011 door [bedrijf 1] achterwege zou blijven. Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking, dat, zoals de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting bij de Rechtbank op 7 maart 2012 heeft gesteld (proces-verbaal van de zitting, p. 3, zesde alinea), dat het merkenrecht een waarde had en dat daarom eind 2008 niet was uitgesloten dat alsnog betaald zou gaan worden, zo, aldus overweegt het Hof, niet in geld, dan toch in natura, namelijk door middel van het merkenrecht.