IEF 17672

Tevens in privé gesloten franchiseovereenkomst is voor specifieke bepalingen, niet voor financiën

ps

Rechtbank Rotterdam 28 maart 2018, IEF 17672; ECLI:NL:RBROT:2018:2913 (Plimsoll tegen Semath) Contractenrecht. Handelsnaamrecht. Uitleg franchiseovereenkomst: "De heer [gedaagde sub 2], handelend in privé, dan wel via de besloten vennootschap Semath management bv, gezamenlijk verder te noemen Franchise Nemer (FN)". De facturen zijn steeds uitsluitend aan Semath B.V. gericht en zijn ook steeds door Semath B.V. betaald. De overeenkomst is tevens in privé gesloten voor de specifieke bepalingen in de overeenkomst die hem wel tevens in persoon aangaan, zoals concurrentiebeding en verbod tot handelsnaamgebruik. Er is geen hoofdelijke aansprakelijkheid van franchisenemer in privé voor de financiële aansprakelijkheid. Artikel 1:88 lid 1 sub c BW mist toepassing op grond van het bepaalde in lid 5 van dat artikel.

4.5.2. In de aanhef van de overeenkomst (zie onder 2.4.), bij de nadere duiding van partijen, wordt aan de zijde van Semath c.s. gesproken over [gedaagde sub 2] “handelend in privé dan wel via de besloten vennootschap Semath management B.V., gezamenlijk verder te noemen Franchise Nemer (FN)”. De rechtbank kan Plimsoll niet volgen in haar redenering dat uit dit “of” “of” volgt dat ofwel de een ofwel de andere aansprakelijk is voor het geheel zoals door Plimsoll is gesteld. Naar de taalkundige betekenis bezien duidt : “dan wel” er op dat [gedaagde sub 2] ofwel in de ene hoedanigheid (als privé) zal handelen ofwel in de andere hoedanigheid (als B.V.), hetgeen eerder lijkt te duiden op de door Semath c.s. bepleite uitzondering. In de afzonderlijke bepalingen van de overeenkomst is daar echter geen gevolg aan gegeven: zonder uitzondering wordt daarin steeds gesproken FN, wat blijkens diezelfde aanhef van de overeenkomst na de komma nu juist staat voor [gedaagde sub 2] in privé en Semath B.V. gezamenlijk, waarop ook de ondertekening duidt, waarin immers het voegwoord “en” is gebruikt. Aan de letterlijke tekst in de omschrijving der partijen is derhalve geen eenduidige betekenis te ontlenen. Uit hetgeen partijen over en weer nog ter zitting hebben verklaard is duidelijk geworden dat [persoon ] en [gedaagde sub 2] de gesprekken over het aangaan van de franchise-overeenkomst steeds met z’n tweeën hebben gevoerd. Partijen zijn het erover eens dat bij de onderhavige werkzaamheden de uitvoering door de persoon (gelet op kennis en kunde) van belang is, anders gezegd dat het gaat om een ‘persoonsgebonden business’. Naar [gedaagde sub 2] heeft verklaard - maar door [persoon ] is weersproken - wilde [gedaagde sub 2] in eerste instantie echter niet dat ook zijn naam als privé persoon in de overeenkomst werd opgenomen; de B.V. was verantwoordelijk voor de financiën. [persoon ] heeft aangegeven dat dit laatste hem wel duidelijk was en dat daarom is besloten beide namen in de overeenkomst op te nemen, maar dat dat niet afdoet aan het feit dat het in de eerste plaats om [gedaagde sub 2] ging en dat zonder [gedaagde sub 2] in persoon de overeenkomst nooit zou zijn gesloten. Voorts heeft [persoon ] verklaard daarbij ook te hebben aangegeven dat [gedaagde sub 2] franchisenemer bleef. Dit laatste is op zichzelf niet door [gedaagde sub 2] betwist, zij het dat volgens [gedaagde sub 2] [persoon ] met name zijn naam in de overeenkomst wilde in verband met het risico dat [gedaagde sub 2] in persoon er met de franchise formule vandoor zou kunnen gaan. [persoon ] heeft op zijn beurt weersproken dat dit laatste ook aan de orde is geweest. Wat er zij van de precieze inhoud van de gevoerde gesprekken bij het aangaan van de overeenkomst, zoveel is duidelijk, er is in ieder geval over de persoonsgebondenheid bij dit soort overeenkomsten en de financiën gesproken. Gelet hierop, alsmede gelet op het professionele niveau van beide partijen, had het op de weg van [gedaagde sub 2] gelegen om, indien hij op geen enkele wijze financieel verantwoordelijk wenste te zijn, bij de financiële bepaling een uitzondering op de gezamenlijke partijaanduiding te vragen. Dit geldt te meer nu het bij betaling van een geldsom gaat om een deelbare verbintenis. Anderzijds had het evenzo op de weg gelegen van Plimsoll om, gelet op de gevoerde discussie, in de overeenkomst expliciet hoofdelijke (financiële) aansprakelijkheid op te nemen, indien gewenst. Dit geldt te meer nu hoofdelijkheid een uitzondering op de regel vormt en vergaande consequenties heeft en Plimsoll werd bijgestaan door een jurist.

Een en ander in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat Semath c.s. niet gevolgd kan worden in het betoog dat uit de overeenkomst voortvloeit dat de financiële verplichtingen [gedaagde sub 2] in privé in het geheel niet aangaan. Er is evenmin voldoende steun te vinden voor de stelling van Plimsoll dat uit de overeenkomst blijkt van hoofdelijke aansprakelijkheid.