IEF 17092

Punch out battles van Apnormaal mogen op Youtube blijven staan

Rechtbank Rotterdam 6 september 2017, IEF 17092; ECLI:NL:RBROT:2017:6976 (Youtube/Punch Out Battles) Portretrecht. Eiser heeft onder de naam "Apnormaal" deelgenomen aan door gedaagde georganiseerde "Punch Out Battles": rapbattles waarin deelnemers elkaar verbaal belachelijk maken. Vier video's van deze battles staan nog op Youtube. Eiser stelt dat gedaagde het auteursrecht en portretrecht heeft geschonden door het plaatsen, zonder toestemming, van de filmpjes op Youtube en vordert dat deze verwijdert worden. De rechter wijst de vorderingen af. Eiser was zich er bewust van dat de evenementen werden vastgelegd op film, niet is gebleken dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij aanvankelijk deelnam voor zijn eigen plezier en om naamsbekendheid te verwerven. Uit het gedrag van gedaagde moet worden afgeleid dat hij heeft ingestemd met publicatie van de video's. Dat betekent dat eiser geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht zich te verzetten tegen de publicatie op grond van art. 21 Aw. 

4.8. De rechtbank stelt voorop dat indien een geportretteerde toestemming heeft gegeven voor het (maken en) publiceren van een portret (in dit geval: de video’s), dan wel geacht moet worden daarmee impliciet te hebben ingestemd, hij geacht wordt afstand te hebben gedaan van het recht zich te verzetten tegen publicatie. In dat geval is toetsing aan de hiervoor onder 4.7. genoemde criteria dus niet aan de orde. Het geven van expliciete dan wel impliciete toestemming tot publicatie mag echter niet al te snel worden aangenomen. Daarvan is eerst dan sprake indien de geportretteerde zich in voldoende mate bewust is dan wel moet zijn geweest van hetgeen die (impliciete) toestemming betekende, althans de wederpartij, gelet op de gedragingen en de verklaringen van de geportretteerde, mede in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, in redelijkheid heeft mogen aannemen dat toestemming is gegeven zoals hiervoor is bedoeld.

4.9. In het onderhavige geval is niet in geschil dat [eiser] [gedaagde] heeft verzocht om deelname aan de “Punch Out Battles”. Evenmin is in geschil dat [eiser] zich er bewust van was dat de evenementen werden vastgelegd op film. Dat [eiser] daartegen bezwaar heeft gemaakt, is niet gesteld en evenmin gebleken. Integendeel, bij aanvang van de battles heeft hij zich tot de camera gericht om zich - evenals de andere deelnemers - in de camera voor te stellen. Dat [eiser] toestemming heeft gegeven voor het maken van de opnames, staat daarmee voldoende vast. Vervolgens moet echter worden beoordeeld of [eiser] ook toestemming heeft gegeven voor publicatie van de opnames. In dat kader heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij na de eerste (try-out)battle wist dat de opnames op internet zouden kunnen worden geplaatst. [eiser] heeft daartegen vervolgens geen bezwaar gemaakt. In zijn e-mails van 26 augustus 2010, 5 oktober 2010 en 21 december 2010 (zie hiervoor onder 2.2) heeft hij verzocht om opnieuw deel te nemen aan de battles, waarbij hij in de e-mail van 26 augustus 2010 expliciet heeft verwezen naar de op internet gepubliceerde video van de eerdere battle (met op dat moment 46.000 views). Ter comparitie heeft [eiser] verder verklaard dat hij aanvankelijk deelnam aan de battles voor zijn eigen plezier en later ook om naamsbekendheid te verwerven. Dat [eiser] naamsbekendheid wilde verwerven volgt ook uit zijn e-mail van 26 augustus 2010 aan [gedaagde] . Dat het daarbij - vooral - ging om bekendheid bij het publiek dat aanwezig was bij de battles ligt, gelet ook op de verwijzing naar de gepubliceerde video in de e-mail van 26 augustus 2010, niet voor de hand. Naamsbekendheid kan immers met name worden verkregen door publicatie van de opnames. De rechtbank neemt in dit kader ten slotte in aanmerking dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat hij besefte dat de opnames een inkomstenbron waren voor [gedaagde] en dat dat een van de redenen was dat hij niet gelijk bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de video’s online werden gezet. Een en ander leidt tot de conclusie dat uit het gedrag van [gedaagde] moet worden afgeleid dat hij heeft ingestemd met publicatie van de video’s. Dat betekent dat [eiser] geacht moet worden afstand te hebben gedaan van het recht zich te verzetten tegen publicatie op grond van artikel 21 Aw. Dat [eiser] inmiddels niet meer achter de teksten staat die hij destijds in de battles naar buiten heeft gebracht, kan daaraan niet afdoen. Zijn beroep op artikel 21 Aw kan dan ook niet slagen.

4.10. Conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [eiser] niet kan worden toegewezen op de primaire grondslag.