IEF 19340

Handelsnaamrechtinbreuk bij Babel tegen Babel

Rechtbank Oost-Brabant 17 jul 2020, IEF 19340; ECLI:NL:RBOBR:2020:3620 (Babel tegen Babel Den Bosch), http://www.ie-forum.nl/artikelen/handelsnaamrechtinbreuk-bij-babel-tegen-babel

Rechtbank Oost-Brabant 17 juli 2020, IEF 19340; ECLI:NL:RBOBR:2020:3620 (Babel tegen Babel Den Bosch) Kort geding. Handelsnaamrecht. Merkenrecht. Babel is aanbieder van taaltrainingen sinds 1983. Babel Den Bosch is sinds 2019 een stichting die zich bezighoudt met cultuur-educatieve activiteiten. Babel spreekt Babel Den Bosch aan voor inbreuk op haar handelsnaamrechten en merkrechten. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van verwarringsgevaar en dat Babel Den Bosch dus inbreuk maakt op de handelsnaamrechten van Babel. Inbreuk op Babel’s merkenrechten wordt daarentegen niet aangenomen, omdat de totaalindruk van het beeldmerk bij de gemiddelde consument niet hetzelfde zal zijn als de totaalindruk van de merken en de betreffende domeinnaam van Babel Den Bosch.

IEF 19342

Alleen Ritter Sport mag vierkant zijn

Duitse Gerechten 23 jul 2020, IEF 19342; (Ritter Sport tegen Milka), http://www.ie-forum.nl/artikelen/alleen-ritter-sport-mag-vierkant-zijn

Bundesgerichthof 23 juli 2020, IEF 19342, IEFbe 3111; 093/2020 (Ritter Sport tegen Milka) Merkenrecht. Het Duitse Bundesgericht heeft geoordeeld dat de vierkante vorm van de Ritter Sport-chocola het merkenrecht behoudt. De vierkante vorm van de verpakking in combinatie met de bekende slogan “Square. Practical. Good” kan ertoe leiden dat de beslissing van de consument om Ritter Sport chocola te kopen wordt bepaald door de vorm, omdat de consument dit ziet als een indicatie van de herkomst van de chocolade van Ritter Sport en daarmee samenhangt met een bepaalde kwaliteitsverwachting. De producent van Milka - Mondelēz - probeerde de rechten op de vorm van de chocola op te heffen, maar dat is niet gelukt. De vorm van goederen of verpakkingen kan alleen van merkenrechtelijke bescherming worden uitgesloten, als de vorm de goederen een wezenlijke waarde geeft. In het geval van de Ritter Sport chocolade gaat het om de vorm, maar in combinatie met de slogan.

IEF 19337

Kwade trouw nog steeds vereist voor winstafdracht

Rechtbank Den Haag 22 jul 2020, IEF 19337; (Hikvision tegen LITB), http://www.ie-forum.nl/artikelen/kwade-trouw-nog-steeds-vereist-voor-winstafdracht

Rechtbank Den Haag 22 juli 2020, IEF 19337; C/09/577348 (Hikvision tegen LITB) Merkenrecht. Beveiligingscamera’s van het merk Hikvision worden vanuit een Chinese website aangeboden, onder meer gericht op de EU. Volgens de rechtbank is dit aanbod inbreukmakend. Het verweer dat de consument de beveiligingscamera’s van Hikvision zelf invoert in de EU wordt verworpen. Ook LITB’s beroep op uitputting wordt verworpen. Wat betreft Hikvision Europe wordt aangenomen dat zij een licentie voor de gehele EU heeft met name gelet op het feit dat zij tezamen met Hikvision China procedeert. Om die reden neemt de rechtbank ook aan dat Hikvision Europe als licentienemer de bevoegdheid heeft een pan-Europese verbodsvordering in te stellen. Interessant is de overweging van de rechtbank of voor winstafdracht kwade trouw nog vereist is, gelet op het Nikolajeva arrest van het HvJ EU (zie 4.30). Volgens de rechtbank is kwade trouw nog steeds vereist. Daarnaast bevat het vonnis een aantal interessante bevoegdheidsoverwegingen. Tot slot is opmerkelijk dat deze zaak als een normale zaak in de zin van de indicatietarieven wordt aangemerkt. Als de overwegend in het gelijk gestelde partij heeft Hikvision aanspraak op de vergoeding van de proceskosten van € 17.500 en een bedrag van ongeveer € 4.000 voor onder meer kosten tolk tijdens de zitting.

IEF 19336

Misleidende reclame in de paardenhandel

Rechtbank Rotterdam 1 jul 2020, IEF 19336; ECLI:NL:RBROT:2020:6149 (Handel in dressuurpaarden), http://www.ie-forum.nl/artikelen/misleidende-reclame-in-de-paardenhandel

Rechtbank Rotterdam 1 juli 2020, IEF 19336, RB 3431; ECLI:NL:RBROT:2020:6149 (Handel in dressuurpaarden) Auteursrecht. Reclamerecht. Gedaagde wordt aangesproken voor auteursrechtinbreuk. Hiervan is geen sprake met betrekking tot de foto’s, want de auteursrechten berusten nog steeds op de fotografe en er is geen exclusieve licentie verleend. Gebruik van de foto’s door gedaagde was toegestaan. Wat betreft het filmmateriaal wordt wel auteursrechtinbreuk aangenomen. Gedaagde heeft immers zonder toestemming filmmateriaal van eiseres op YouTube en op haar website geplaatst. Daarnaast spreekt eiseres gedaagde aan voor ongeoorloofde concurrentie en misleidende reclame, omdat gedaagde zich op haar website profileert als succesvol paardenondernemer. Zo toont gedaagde onder meer foto’s van paarden als door haar verkocht. Voor het aannemen van ongeoorloofde concurrentie moet zijn voldaan aan drie vereisten, te weten a) het stelselmatig en substantieel afbreken van b) het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst mee heeft helpen opbouwen c) met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg. Het verwijt van ongeoorloofde concurrentie strandt, omdat door eiseres onvoldoende is uitgewerkt en onderbouwd dat zij door uitingen van van gedaagde concreet concurrentie heeft ondervonden. Misleidende reclame wordt wel aangenomen, want gedaagde mocht paarden die na de breuk (in de samenwerking tussen eiser en gedaagde) aan eiseres toebehoorden, niet als ‘haar collectie’ op de site aanbieden.

IEF 19335


Rectificatie afgewezen bij onrechtmatige uitlatingen

Rechtbank Midden-Nederland 17 jul 2020, IEF 19335; ECLI:NL:RBMNE:2020:2625 (Onrechtmatige uitlatingen), http://www.ie-forum.nl/artikelen/rectificatie-afgewezen-bij-onrechtmatige-uitlatingen

Rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2020, IEF 19335, IT 3194; ECLI:NL:RBMNE:2020:2625 (Onrechtmatige uitlatingen) Mediarecht. Gedaagde wordt aangesproken door eiser omdat hij uitlatingen zou hebben gedaan in een televisieprogramma die eiser onrechtmatig vindt. Eiser vordert een verklaring voor recht, schadevergoeding en een rectificatie op Twitter en in de Telegraaf. Gedaagde verweert zich met een beroep op vrijheid van meningsuiting. Er zijn hier dus twee grondrechten aan de orde: het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de eer en goede naam. Per geval moet dan aan de omstandigheden van het geval worden beoordeeld welk grondrecht zwaarder moet wegen. In dit geval zijn de meeste uitlatingen gepresenteerd als feiten, dus er moet getoetst worden of de uitingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal om te oordelen welk grondrecht zwaarder weegt. De volgende omstandigheden zijn relevant bij deze toets: de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Afweging van deze omstandigheden leidt tot de conclusie dat de geuite feitelijke beweringen van gedaagde onrechtmatig zijn. De verklaring voor recht en de schadevergoeding worden toegewezen. De vordering tot rectificatie wordt afgewezen, omdat de uitingen meer dan vijf jaar geleden plaatsvonden en daarnaast minder dan een minuut in beslag namen. Rectificatie zal de kwestie juist opnieuw voor het voetlicht brengen, terwijl het publiek op dit moment geen actieve herinnering heeft aan het voorval.

IEF 19334

Inbreuk op rechten Buma en Sena

Rechtbank Amsterdam 15 jul 2020, IEF 19334; (Buma-Sena tegen Gedaagde), http://www.ie-forum.nl/artikelen/inbreuk-op-rechten-buma-en-sena

Rechtbank Amsterdam 15 juli 2020, IEF 19334; C/13/637492 (Buma-Sena tegen Gedaagde) De rechtbank Amsterdam heeft een tussenvonnis gewezen in dit langlopende geschil. Buma en Sena hebben in 2016 vorderingen ingesteld tegen Scoezh en gedaagde 2. Enerzijds vorderen Buma en Sena geldvorderingen ten aanzien van de boedel die door de curator en Youtoo Holding zijn betwist, anderzijds vorderen zij geldvorderingen die zijn gericht op het handelen en nalaten van gedaagde 2 zelf: een inbreukverbod en een bevel tot opgave van commerciële inkomsten van Fresh FM. Het inbreukverbod wordt toegewezen, want gedaagde 2 en zijn vennootschappen zijn meermaals veroordeeld tot het staken van inbreuk op het Buma- en Sena-repertoire en die veroordelingen zijn meermaals overtreden. Het bevel tot opgave van commerciële inkomsten van Fresh FM komt niet voor toewijzing in aanmerking, want de verplichting tot opgave op grond van de met Buma en Sena ondertekende overeenkomsten rustten niet op gedaagde 2 zelf. Gedaagde 2 is aansprakelijk voor de schade van Buma en Sena die zij hebben geleden als gevolg van het feit dat gedaagde 2 nooit heeft voldaan aan haar opgaveverplichtingen, want hij heeft hiermee dusdanig onzorgvuldig gehandeld dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht om het bedrag van deze schade te kunnen vaststellen. Daarom worden Buma en Stemra in de gelegenheid gesteld om bij nadere akte te onderbouwen welke schade zij concreet hebben geleden.

IEF 19333

Conclusie A-G: YouTube niet aansprakelijk voor illegaal uploaden

HvJ EU 16 jul 2020, IEF 19333; ECLI:EU:C:2020:586 (Frank Peterson tegen Google en YouTube), http://www.ie-forum.nl/artikelen/conclusie-a-g-youtube-niet-aansprakelijk-voor-illegaal-uploaden

HvJ EU conclusie A-G 16 juli 2020, IEF 19333, IT 3193, IEFbe 3109; ECLI:EU:C:2020:586 (Frank Peterson tegen Google en YouTube) Frank Peterson, een muziekproducent, heeft een procedure aangespannen tegen YouTube en moederbedrijf Google voor de Duitse rechtbanken met betrekking tot het uploaden naar YouTube van muziek van zangeres Sarah Brightmann, waarop hij beweert verschillende rechten te hebben. Het materiaal is geüpload door gebruikers van dat platform zonder zijn toestemming. Volgens de advocaat-generaal zijn online platforms zoals YouTube, niet direct aansprakelijk voor het illegaal uploaden van beschermde werken door de gebruikers van die platforms.

IEF 19332

Inbreuk op lamellenmerk door gebruik van handelsnaam en domeinnamen

Rechtbank Amsterdam 24 jun 2020, IEF 19332; ECLI:NL:RBAMS:2020:3180 (Lecluyse tegen Louverdrape NL), http://www.ie-forum.nl/artikelen/inbreuk-op-lamellenmerk-door-gebruik-van-handelsnaam-en-domeinnamen

Rechtbank Amsterdam 24 juni 2020, IEF 19332; ECLI:NL:RBAMS:2020:3180 (Lecluyse tegen Louverdrape NL)  Lecluyse is een Belgische vennootschap. Vanaf 1964 heeft Lecluyse een nieuwe productielijn opgezet onder de naam ‘Louverdrape’ voor verticale lamellen. In 1964 hebben Lecluyse en de Nederlandse vof, Louverdrape NL, een overeenkomst gesloten waarbij Lecluyse het alleenverkooprecht aan Louverdrape NL heeft gegeven voor ‘Louverdrape’ voor Nederland. In 1972 is de alleenverkoopovereenkomst verlengd zonder bepaalde duur. In 1971 heeft Lecluyse het Benelux woord-/beeldmerk met het element ‘LOUVERDRAPE’ gedeponeerd. Louverdrape NL heeft geen geregistreerde merkrechten. Haar handelsnaam is geregistreerd in de KvK. Vanaf 2000 heeft zij de domeinnamen www.louverdrape.nl, www.louverdrape.com en www.louvredrape.nl geregistreerd. Lecluyse heeft per brief de alleenverkoopovereenkomst opgezegd per 30 juni 2018, waarbij zij ook heeft gesommeerd het gebruik van de handels- en domeinnamen te staken. Er wordt onder meer geoordeeld dat Louverdrape NL door gebruik van haar handelsnaam en domeinnamen inbreuk maakt op het merkrecht van Lecluyse. Geoordeeld wordt onder meer dat Louverdrape NL de inbreuk door het gebruik van domeinnamen en/of handelsnamen waarin het element “Louverdrape/Louvredrape” voorkomt, moet staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het doorlinken van bedoelde domeinnamen naar de website van Louverdrape NL. Ook moet Louverdrape NL de domeinnamen www.louverdrape.nl, www.louvredrape.nl en www.louverdrape.com en eventuele andere overeenstemmende benamingen overdragen.

IEF 19331

Vaststellen billijke vergoeding is exclusieve bevoegheid van Sena

Hoge Raad 17 jul 2020, IEF 19331; ECLI:NL:HR:2020:1300 (AMP tegen Sena en RTL), http://www.ie-forum.nl/artikelen/vaststellen-billijke-vergoeding-is-exclusieve-bevoegheid-van-sena

HR 17 juli 2020, IEF 19331; ECLI:NL:HR:2020:1300 (AMP tegen Sena en RTL) Het gaat hier om de vraag of Sena aan een producent van fonogrammen (AMP) en een uitvoerend kunstenaar (Joosten) een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7 WNR moet betalen voor het gebruik van het muzieknummer ‘Lolly’ in Tell Sell-homeshoppingprogramma’s in de periode 2007-2012. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2019, dat stelde dat de fonogrammenproducent en de uitvoerend kunstenaar zelf met de gebruiker van het muzieknummer een billijke vergoeding voor uitzending van het muzieknummer zijn overeengekomen [IEF 18397]. Art. 15 lid 1 Wnr moet aldus worden uitgelegd dat niet alleen de bevoegdheid tot inning en verdeling van de billijke vergoeding, maar ook de bevoegdheid tot vaststelling daarvan exclusief aan Sena toekomt. Er wordt terugverwezen naar het hof. Het incidenteel beroep van RTL wordt afgewezen zonder motivering. Alle overige klachten worden niet behandeld.

IEF 19330

Arnold & Siedsma neemt octrooibureau LC Patents uit Hasselt over

Octrooi- en merkenbureau Arnold & Siedsma is een kantoor rijker. Sinds 1 juli gaat LC Patents uit het Belgische Hasselt verder als onderdeel van het bureau. De overname past uitstekend binnen de groeiambities van Arnold & Siedsma dat zich wilde uitbreiden op het gebied van chemie, waar LC Patents haar sporen in heeft verdiend. De overname is een unieke kans om de marktpositie in België te versterken op het gebied van farmacie, life sciences en biotechnologie.

De volledige integratie van fullservice octrooibureau LC Patents in Arnold & Siedsma is voltooid op 1 januari 2021. De komende zes maanden wordt daar druk aan gewerkt. Ondertussen draait LC Patents gewoon door in Hasselt; vooralsnog onder de eigen naam. “Hun elf medewerkers blijven er allemaal werkzaam en zijn sinds kort dus onze collega’s. We zijn uiteraard blij met en trots op deze kwalitatieve en kwantitatieve uitbreiding van ons bureau en onze dienstverlening. Een mooi succes, zeker nu we dit jaar 100 jaar bestaan”, aldus Paul Hylarides, partner bij Arnold & Siedsma.

IEF 19328

Verzoek tussentijds openstellen van hoger beroep gehonoreerd

Rechtbank Den Haag 8 jul 2020, IEF 19328; ECLI:NL:RBDHA:2020:6166 (DTS tegen Samsung c.s.), http://www.ie-forum.nl/artikelen/verzoek-tussentijds-openstellen-van-hoger-beroep-gehonoreerd

Rechtbank Den Haag 8 juli 2020, IEF 19328; ECLI:NL:RBDHA:2020:6166 (DTS tegen Samsung c.s.) Procesrecht. Octrooirecht. Samsung c.s. verzoekt de rechtbank om verbetering en aanvulling van het op 13 mei 2020 gewezen vonnis, omdat er sprake zou zijn van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv en het vonnis aangevuld moet worden op de voet van artikel 32 Rv. Hiertoe voert Samsung aan dat omdat zij in beide procedures volledig in het gelijk gesteld is, de rechtbank DTS had moeten veroordelen in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 1019h Rv. DTS verzocht de rechtbank om hoger beroep tegen het tussenvonnis open te stellen. De rechtbank wijst zowel het verzoek om verbetering als het verzoek om aanvulling af. Er is geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. In het vonnis van 13 mei heeft de rechter er expliciet voor gekozen om het vonnis aan te houden, dus het niet beslissen zoals Samsung c.s. verzoekt levert geen kennelijke fout op. Het verzoek om aanvulling wordt afgewezen, omdat het gaat om een tussenvonnis waarin de beslissing over de proceskosten is aangehouden. Het verzoek van DTS tot het tussentijds openstellen van hoger beroep wordt wel gehonoreerd. In dit geval bestaan voldoende zwaarwegende redenen om van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv af te wijken.

IEF 19324

Inbreukverbod op Benelux-beeldmerk toegewezen

Rechtbank Noord-Holland 2 jul 2020, IEF 19324; ECLI:NL:RBNHO:2020:5174 (Adelca c.s. tegen Sensilab), http://www.ie-forum.nl/artikelen/inbreukverbod-op-benelux-beeldmerk-toegewezen

Vzr. Rechtbank Noord-Holland 2 juli 2020, IEF 19324; ECLI:NL:RBNHO:2020:5174 (Adelca c.s. tegen Sensilab) Kort geding. Merkenrecht. Adelca c.s. spreekt Sensilab aan voor inbreuk op haar merkenrecht op het teken SlimJOY - al dan niet met de toevoeging “enjoy your body”. Merkenrechtinbreuk op het Benelux-beeldmerk wordt aangenomen en een verbod op het gebruik van het teken en het te koop aanbieden en leveren van producten voorzien van het teken wordt toegewezen. Het verbod is beperkt tot de Benelux.

IEF 19329

Merkrechthebbende moet facturen voor registratie merk betalen

Hof Arnhem-Leeuwarden 14 jul 2020, IEF 19329; ECLI:NL:GHARL:2020:5455 (Appellant tegen Taylor Wessing N.V.), http://www.ie-forum.nl/artikelen/merkrechthebbende-moet-facturen-voor-registratie-merk-betalen

Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2020, IEF 19329; ECLI:NL:GHARL:2020:5455 (Appellant tegen Taylor Wessing N.V.) Het gaat in deze zaak om een geschil over het factureren van werkzaamheden die verband houden met het registreren van een merk door een gemachtigde. Kernvraag is of de merkrechthebbende, die de gemachtigde (Taylor Wessing) heeft ingeschakeld, hierbij heeft gehandeld voor zichzelf of namens de licentie-houder. Het hof komt tot de conclusie dat de merkrechthebbende als opdrachtgever moet worden beschouwd en dat hij dus verplicht is de facturen te betalen.

IEF 19327

HvJ EU heeft geoordeeld in Schrems tegen Facebook

HvJ EU 16 jul 2020, IEF 19327; (Schrems tegen Facebook), http://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-heeft-geoordeeld-in-schrems-tegen-facebook


HvJ EU 16 juli 2020, IT 3191, IEF 19327, IEFbe 3106; C-311/18 (Schrems tegen Facebook) Privacyrecht. Vandaag heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld in een van de meest verwachte zaken over privacy en gegevensbescherming sinds tijden. Schrems heeft als Facebookgebruiker Facebook Ierland aangesproken voor het doorgeven van persoonsgegevens aan Facebook Verenigde Staten. Hij heeft de Ierse toezichthouder verzocht om deze doorgiften te verbieden. Hiertoe voerde hij aan dat het recht van de Verenigde Staten en de gangbare praktijk geen waarborgen bieden voor voldoende bescherming tegen de toegang door de overheid tot de naar dit land doorgestuurde gegevens. Deze klacht werd afgewezen, omdat de Commissie in een beschikking had vastgesteld dat de Verenigde Staten wel een passend beschermingsniveau waarborgden. In 2015 heeft het Europees Hof van Justitie deze beschikking ongeldig verklaard, waardoor de Ierse rechter de afwijzing van de klacht van Schrems nietig verklaarde. De Ierse toezichthouder verzocht Schrems zijn klacht te herformuleren. In de hergeformuleerde klacht verzoekt Schrems de doorgifte van zijn persoonsgegevens vanuit de Unie naar de Verenigde Staten - die Facebook ondertussen uitvoert op grond van bepalingen uit de bijlage bij besluit 2020/87 - op te schorten of voor de toekomst te verbieden. De Ierse rechter vraagt aan het Europees Hof van Justitie of besluit 2010/87 en 2016/1250 geldig zijn. Vandaag heeft het Hof van Justitie in zijn arrest gesteld dat bij de toetsing van besluit 2010/87 aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van dat besluit kunnen aantasten. Besluit 2016/1250 wordt daarentegen ongeldig verklaard. Daarnaast wijst het Hof erop dat een doorgifte van persoonsgegevens voor commerciële doeleinden door een in een lidstaat gevestigde onderneming naar een andere in een derde land gevestigde onderneming, niet kan worden uitgesloten van de werkingssfeer van de verordening. Bij een dergelijke doorgifte moet een beschermingsniveau worden geboden dat in grote lijnen overeenkomt met het beschermingsniveau dat binnen de Unie wordt gewaarborgd door die verordening, gelezen in het licht van het Handvest. Toezichthoudende autoriteiten zijn, tenzij de Commissie op geldige wijze een adequaatheidsbesluit heeft vastgesteld, verplicht om een doorgifte naar een derde land op te schorten of te verbieden wanneer zij - gelet op alle omstandigheden - van oordeel zijn dat de standaardbepalingen inzake gegevensbescherming in dat derde land niet worden of niet kunnen worden nageleefd en dat de door het Unierecht vereiste bescherming van de doorgegeven gegevens niet kan worden gewaarborgd met andere middelen, indien de in de Unie gevestigde exporteur de doorgifte niet zelf heeft opgeschort of beëindigd.

IEF 19326

Geen model- of auteursrechtbescherming voor de Livorno stoel

Rechtbank Oost-Brabant 13 jul 2020, IEF 19326; ECLI:NL:RBOBR:2020:3525 (Homefashion Group tegen Maison du Monde), http://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-model-of-auteursrechtbescherming-voor-de-livorno-stoel

Vzr. Rechtbank Oost-Brabant 13 juli 2020, IEF 19326; ECLI:NL:RBOBR:2020:3525 (Homefashion Group tegen Maison du Monde) Kort geding. Auteursrecht. Modelrecht. Homefashion Group (HFG) spreekt Maison du Monde (MDM) aan voor inbreuk op haar Beneluxmodelrecht en auteursrecht op de Livorno stoel. De Livorno stoel voldoet niet aan het nieuwheidsvereiste van artikel 3.1 jo 3.3 lid 1 BVIE. Er zijn immers identieke modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld voor 13 november 2018 (datum depot Livorno stoel). De prior art - de Gispen en de Tati - bevatten alle door HFG aangevoerde kenmerkende elementen. Derhalve geniet de Livorno stoel geen modelrechtelijke bescherming. Nu de Livorno stoel ook geen eigen oorspronkelijk karakter en persoonlijk stempel van de maker bezit, is er ook geen sprake van auteursrechtelijke bescherming. Tot slot is er geen sprake van slaafse nabootsing, want de Livorno stoel zal geen andere totaalindruk wekken dan het vormgevingserfgoed. Alle vorderingen worden afgewezen: er is noch sprake van modelrechtinbreuk, noch van auteursrechtinbreuk, noch van slaafse nabootsing.

IEF 19322

Conclusie A-G in Laroche tegen 4 EW

Hoge Raad 19 jun 2020, IEF 19322; ECLI:NL:PHR:2020:687 (Laroche tegen 4 EW), http://www.ie-forum.nl/artikelen/conclusie-a-g-in-laroche-tegen-4-ew

Parket bij de HR 19 juni 2020, IEF 19322, IEFbe 3103; ECLI:NL:PHR:2020:687 (Laroche tegen 4 EW) Merkenrecht. Procesrecht. Heeft 4 EW door het aanbieden en verkopen van een restvoorraad merkproducten van Laroche die overbleef na loyaliteitsspaaracties van supermarktketen Carrefour in Frankrijk en België, inbreuk gemaakt op Laroche’s merkrechten of is hier sprake van uitputting? Het hof oordeelt - in tegenstelling tot de rechtbank - dat er sprake is van merkenrechtelijke uitputting. Laroche gaat hiertegen in cassatie. A-G van Peursem overweegt onder meer dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat “achteraf toestemming geven” kan worden gekwalificeerd als “instemming” van de merkhouder. Met “duur van de licentie” in artikel 22 lid 2 sub a UMVo wordt volgens Van Peursem - mede gelet op de aangehaalde Duitse, Zweedse en Tsjechische tekst van de verordening - ook daadwerkelijk de duur van de licentie bedoeld en niet de duur van de overeenkomst waarin de licentie is opgenomen. Tot slot concludeert de A-G tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

IEF 19323

Auteursrechtinbreuk op en slaafse nabootsing van designstoel

Hof Den Haag 14 jul 2020, IEF 19323; ECLI:NL:GHDHA:2020:1218 (Vitra tegen Kwantum c.s.), http://www.ie-forum.nl/artikelen/auteursrechtinbreuk-op-en-slaafse-nabootsing-van-designstoel

Hof Den Haag 14 juli 2020, IEF 19323; ECLI:NL:GHDHA:2020:1218 (Vitra tegen Kwantum c.s.) Auteursrecht. Geniet de Eames DSW-stoel in Nederland en België auteursrechtelijke bescherming als werk van toegepaste kunst? Vitra sprak Kwantum c.s. aan voor inbreuk op het auteursrecht op het ontwerp van de DSW en slaafse nabootsing met de Paris-stoel. De rechtbank oordeelde dat de DSW op grond van de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 van de Berner Conventie geen aanspraak kan maken op auteursrechtelijke bescherming in Nederland en België. Hiertegen gaat Vitra in hoger beroep, waarbij zij onder meer aanvoert dat artikel 2 lid 7 van de Berner Conventie niet van toepassing is. De vangnetbepaling van dit artikel is inderdaad niet van toepassing, daarom wordt er getoetst aan de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2 lid 7 Berner Conventie. Hieraan wordt voldaan, want de vormgeving van de DSW wordt in haar eigen land gekwalificeerd als werk van toegepaste kunst dat in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming. Daarnaast kan Vitra als auteursrechthebbende worden aangemerkt. Auteursrechtinbreuk wordt toegewezen onder zowel Nederlands als Belgisch recht voor de periode vanaf 22 maart 2017, omdat de Paris-stoel een vrijwel identieke nabootsing is van de DSW. Voor de periode voor 22 maart 2017 kan Vitra opkomen tegen Kwantum c.s. met vorderingen uit onrechtmatige daad, omdat er sprake is van slaafse nabootsing onder zowel Nederlands als Belgisch recht.

IEF 19321

Verdeling gelden muziekgebruik ex artikel 9 Repartitiereglement

Hof Amsterdam 14 jul 2020, IEF 19321; ECLI:NL:GHAMS:2020:1957 (Efteling), http://www.ie-forum.nl/artikelen/verdeling-gelden-muziekgebruik-ex-artikel-9-repartitiereglement

Hof Amsterdam 14 juli 2020, IEF 19321; ECLI:NL:GHAMS:2020:1957 (Efteling) Collectief beheer door Buma van auteursrechten ten aanzien van muziekgebruik in de Efteling. Appellant is niet tevreden over het door Buma uitgevoerde beheer van zijn rechten met betrekking tot het gebruik van de muziek die hij in opdracht van de themaparken de Efteling en Toverland in Nederland en het Europark in Duitsland heeft gecomponeerd, aangezien dit – anders dan hij had verwacht – niet heeft geleid tot structurele inkomsten aan zijn zijde. Dit komt volgens appellant doordat Buma in zijn geval zowel bij de incasso van de door muziekgebruikers te betalen licentievergoedingen als bij de repartitie van de ontvangen gelden onjuist te werk gaat. Het eerdere vonnis [IEF 17520] wordt vernietigd. Gelet op alle omstandigheden van het geval had Buma ontvangen gelden moeten verdelen op basis van het daadwerkelijk muziekgebruik ex artikel 9 Repartitiereglement. Buma is toerekenbaar tekort gekomen in de nakoming van de tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomst. Buma wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade aan de zijde van appellant voor zover het betreft het gebruik van de door appellant gecomponeerde muziek in de themaparken de Efteling en Toverland, vanaf 2011 respectievelijk 2013