Rechtspraak

IEF 287

Raben vs. De Staat

De Rechtbank Den Haag heeft op 27 april jl. vonnis gewezen in een enigszins opmerkelijke octrooizaak tussen Raben, doe zich liet vertegenwoordigen door mr R. Moszcwicz, tegen het BIE (nu: Octrooicentrum Nederland) en de Staat der Nederlanden in de hoedanigheid van de Ministers van Vreemdelingenzaken en Intergratie en van Buitenlandse zaken.  

Raben heeft, ondanks een herinnering van het EOB, verzuimd om de taksen voor een Europese octrooiaanvrage tijdig te voldoen, waarna het EOB de octrooiaanvrage formeel als ingetrokken heeft beschouwd per november 1995. Raben vordert dat de Staat cs wordt veroordeeld om aan Raben terzake van zijn uitvinding alsnog een Nederlands octrooi op basis van de ROW 1995 te doen verlenen en deze te doen inschrijven in het Nederlandse octrooiregister, terwijl hij voor de uitvinding nooit een Nederlands octrooi heeft aangevraagd.

Raben heeft, ondanks een herinnering van het EOB, verzuimd om de taksen voor een Europese octrooiaanvrage tijdig te voldoen, waarna het EOB de octrooiaanvrage formeel als ingetrokken heeft beschouwd per november 1995. Raben vordert dat de Staat cs wordt veroordeeld om aan Raben terzake van zijn uitvinding alsnog een Nederlands octrooi op basis van de ROW 1995 te doen verlenen en deze te doen inschrijven in het Nederlandse octrooiregister, terwijl hij voor de uitvinding nooit een Nederlands octrooi heeft aangevraagd.

Volgens Raben is de kern van de zaak dat het EOB bij de behandeling en intrekking van zijn Europese octrooiaanvrage fouten heeft gemaakt, die de Haagse rechtbank in deze procedure tegen de Staat en het BIE recht behoort te zetten, mede nu het EOB immuniteit ontbeert. Raben neemt daarbij onder meer de opmerkelijke stelling in dat het EOB zou handelen als "gevolmachtigde" van het BIE en/of de Staat.

De rechtank wijst de vorderingen van Raben af omdat "niet valt in te zien dat de Staat cs zou kunnen worden veroordeeld tot het "rechtzetten" van de beweerdelijk door een derde - het EOB - jegens Raben bij zijn Europese octrooiaanvrage gemaakte fouten."

De stellingen van Moszcowicz getuigen van creativiteit en fantasie. Helaas raakte de rechtbank halverwege de draad kwijt.

lees vonnis

IEF 273

Ondertussen in Liechtenstein

Nog even een korte bespreking van het arrest van GvEA in de zaken C-207/03 en C-252/03, 21 april 2005, Novartis tegen UK Comptroller- General of Patents, Designs and Trademark / Min. EZ Frankrijk tegen Millenium Pharmaceuticals. Betreft prejudiciële vragen over de berekening van de duur van een aanvullend beschermingscertificaat.  Moet de datum van afgifte van een marktvergunning in Zwitserland, die automatisch in Liechtenstein (EER) wordt erkend, worden beschouwd als die van de eerste vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel in de EER? Ja, dat moet.

Verordening nr. 1768/92 strekt ertoe de lengte van de periode te compenseren die verloopt tussen de indiening van een aanvraag voor een octrooi op een geneesmiddel en de vergunning voor het in de handel brengen van dat geneesmiddel, door in bepaalde gevallen te voorzien in een aanvullende periode van octrooibescherming. De houder van zowel een octrooi als van een certificaat moet niet in aanmerking kunnen komen voor een uitsluitend recht van meer dan vijftien jaar in totaal vanaf de afgifte van de eerste VHB van het betrokken geneesmiddel in de EER. Wanneer zou zijn uitgesloten dat een door de Zwitserse autoriteiten verleende en automatisch door het Vorstendom Liechtenstein erkende VHB een eerste VHB in de zin van de verordening kan vormen, dan zou de duur van de aanvullende certificaten moeten worden berekend op grond van een later in de EER verleende VHB. Het tijdvak van vijftien jaar uitsluitend recht in de EER zou daarmee dreigen te worden overschreden. Lees arrest.

IEF 271

vormen van gebiedsbescherming

Hof Den Haag, 24 maart 2005, LJN: AT4660, 04/694 en 04/695. Hoger beroep. MDI tegen [VR]. Interessant vonnis over ingewikkelde materie: groepsvrijstellingen, octrooilicenties en IPR.

Betreft een schriftelijke overeenkomst gesloten, getiteld: “Agreement for License to use Patents, Trademarks, Tradename, Know-how and Proprietary Interests” Tussen partijen zijn geschillen gerezen, met name ten aanzien van de verplichtingen van VR tot betaling van royalties aan MDI. Deze geschillen zijn, op de voet van het arbitrage-beding, door MDI aanhangig gemaakt bij de American Arbitration Association. De arbitrage-procedure heeft geleid tot drie vonnissen. MDI verzoekt, op de voet van het Verdrag van New York van 1958 en de artikelen 1075 en 985 tot en met 991 Rv. erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van de drie hiervoor genoemde arbitrale vonnissen. Strijd met Europese wet- en regelgeving. Lees vonnis

IEF 245

Kwestie van stand van techniek

De Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag honoreert het verweer van Teva dat het Nederlandse octrooi 192562 (en het daarop gebaseerde aanvullend beschermingscertificaat) van Merck nietig is. Teva brengt daartoe stukken en verklaringen in het geding die niet aan de orde zijn gekomen tijdens de procedure voor de Afdeling van Beroep naar aanleiding van de weigering van de Octrooiraad in 1987 het octrooi in te schrijven. Deze nieuwe stukken zijn voldoende voor de Voorzieningenrechter om te oordelen dat de Afdeling van Beroep de stand van techniek onvoldoende op waarde heeft geschat bij de inventiviteitstoets. Goed zoekwerk naar publicaties inzake de meest nabije stand van de techniek kan uitkomst bieden. Zelfs wanneer het octrooi al bijna is verlopen. Lees vonnisTeva
IEF 173

4 jaar te laat is net op tijd

Europese Commissie staakt rechtszaak tegen Nederland over biotech-octrooien. Het Hof van Justitie van de EG te Luxemburg zal geen uitspraak doen in een door de Europese Commissie in september 2003 aangespannen rechtszaak tegen Nederland, wegens het niet tijdig implementeren van richtlijn 98/44/EG. Deze richtlijn gaat over de octrooirechtelijke bescherming van biotechnologische uitvindingen en had uiterlijk in juli 2000 in de Nederlandse wetgeving omgezet moeten zijn. De noodzakelijke
wetswijzigingen in de Rijksoctrooiwet 1995 en de Zaaizaad en Plantgoedwet zijn echter pas op 20 november 2004 in werking getreden. Zij zijn direct daarna aan de Europese Commissie gemeld, gevolgd door een verzoek aan de Commissie de aangespannen rechtszaak wegens niet tijdig implementeren van de richtlijn te beëindigen. Dat verzoek is nu ingewilligd.

De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel had veel vertraging opgelopen. Oorzaak daarvan was onder meer het afwachten van de uitspraak van het Hof van Justitie op het verzoek van Nederland om de richtlijn te vernietigen. Het Hof heeft dat uit 1998 daterende verzoek pas in 2001 afgewezen. Ook de val van het Kabinet Kok II en van het Kabinet Balkenende I zorgden voor vertraging, omdat het wetsvoorstel toen controversieel werd verklaard. Door de behandeling op 8 juni 2004 van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer zag Staatssecretaris van Economische Zaken Van Gennip zich genoodzaakt met een novelle te komen. Die novelle was nodig om een eerder door de Tweede Kamer aanvaard amendement ongedaan te maken waarmee werd beoogd om uitvindingen met betrekking tot planten en dieren niet voor octrooi in aanmerking te laten komen. Vorig jaar zijn Frankrijk, België, Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg wel veroordeeld omdat zij de verplichting de richtlijn tijdig te implementeren niet waren nagekomen. Landen die na deze eerste veroordeling nog steeds in gebreke blijven, kunnen in een tweede veroordeling een boete of dwangsom opgelegd krijgen die tot miljoenen euro´s kan oplopen.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij Postbus 51, telefoon 0800 - 6463951, e-mail: ezinfo@postbus51.nl Voor journalisten: Gerard Westerhof, persvoorlichter, telefoon (070) 379 7079, e-mail: g.p.m.westerhof@minez.nl Ministerie van Economische Zaken Persbericht 12 april 2005

IEF 28

Octrooirecht

Een zodenbemester is het onderwerp van het kortgeding van de Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Gravenhage van 19 oktober 2004. Eiseres, Veenhuis Machines B.V., is rechthebbende op twee Nederlandse octrooien (nr.192183 en nr.1011803) en een Europees octrooi (nr. 1044592). Veenhuis heeft een zodenbemester verkocht aan Vreba Equipment B.V., die op haar beurt een dergelijke zodenbemester heeft laten (na)maken. Deze heeft zij verkocht aan een derde. Maakt deze zodenbemester inbreuk op de octrooirechten van Veenhuis?

De Voorzieningenrechter verklaart Veenhuis niet ontvankelijk voor zover haar vorderingen zijn gegrond op het Nederlandse octrooi nr. 192183 en het Europese octrooi nr. 1044592. Veenhuis heeft nagelaten het Nederlandse octrooi volledig over te leggen en de Nederlandse vertaling van het Europese octrooi. De rechter is van oordeel dat er geen sprake is van een octrooi-inbreuk omdat de verwijderbare messen als genoemd in het kenmerk van conclusie 1 van het octrooi niet terugkomen in het litigieuze exemplaar. Opvallend is dat de zodenbemester van Vreba wel is voorzien van gaten waar de verwijderbare messen kunnen worden geplaatst. Een beroep op merkinbreuk ketst af vanwege uitputting. Het onderdeel waarop het merk is geplaatst, is met toestemming van Veenhuis rechtmatig in het verkeer gebracht.

http://zoeken.rechtspraak.nl/zoeken/dtluitspraak_print.asp?popup=true&searchtype=ljn&ljn=AR4399&u_ljn=AR4399

IEF 17

Octrooirecht

Arrest Hoge Raad: Eerste Kamer, 12 november 2004, Nr. C03/162HR. In de zaak van:Impro Ltd tegen Liko Ab. Impro is houdster van het Nederlandse octrooi 190.471 voor een inrichting voor het oprichten van een patiënt vanuit een stoel of andere zetel naar een in hoofdzaak staande positie. Liko Nederland B.V. brengt in Nederland op de markt sta-opliften. Het hof heeft zijn oordeel dat de Sabina niet als een inbreukmakend equivalent van het Impro-octrooi moet worden beschouwd, erop gebaseerd dat van de Sabina niet kan worden gezegd dat zij met haar (langere) hefarm in wezen hetzelfde resultaat als door het Impro-octrooi wordt beoogd, op in wezen dezelfde wijze bewerkstelligt. Dit in hoge mate met feitelijke waarderingen verweven oordeel is niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd in het licht van het in het bestreden arrest gegeven oordeel dat de Sabina een langere hefarm heeft dan het Impro-octrooi beschrijft en dat bij het oprichten van de patiënt door de Sabina geen parallellogramhefbeweging optreedt. De daartegen gerichte klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden. Lees arrest 1. Lees arrest 2.

IEF 15309

Vijf weken tevoren berichten over voornemen inroepen ander octrooi

Vzr. Rechtbank Noord Holland 23 september 2015, IEF 15309 (Teva tegen Astrazeneca)
Contractenrecht. Octrooirecht. Beslag. Astrazeneca, houdster van EP1289506B1, stelt dat Teva met de verkoop van een astma-inhalator DuoResp Spiromax 160μg/4,5μg en 320μg/9μg inbreuk maakt en er is beslag gelegd. Tijdens een eerder kort geding hebben partijen afspraken gemaakt, waarin is opgenomen dat Astrazeneca vijf weken van te voren schriftelijk bericht indien ze een ander octrooi dan EP1085877 B1 wil inroepen tegen de DuoResp Spiromax 320μg/9μg. Het conservatoire bewijsbeslag wordt opgeheven en de voorzieningenrechter gebiedt Astrazeneca om vijf weken voorafgaand aan het inroepen in Nederland van een ander octrooi tegen de DuoResp Spiromax de procesadvocaat over dat voornemen te berichten op straffe van een dwangsom van €100.000 per keer.

4.3. De beperkte uitleg die Astrazeneca geeft aan de onder 2.1.5 weergegeven afspraken tussen partijen kan vooralsnog niet worden gevolgd. Door verlof te vragen voor bewijsbeslag op grond van de stelling dat DuoResp Spiromax 320 vermoedelijk inbreuk maakt op EP 506 met het doel bewijs van die inbreuk te verkrijgen wordt dat octrooi in strijd met de afspraken tegen Teva ingeroepen zonder voorafgaande waarschuwing. Astrazeneca handelt aldus in strijd met haar verplichtingen jegens Teva.

4.6. Dat geldt ook voor zover het bewijsbeslag het productieproces van DuoResp Spiromax 160 zou moeten betreffen omdat DuoResp Spiromax 160 en DuoResp Spiromax 320, naar Astrazeneca stelt, volgens hetzelfde productieproces worden gemaakt en de inbreuk in het verzoekschrift voornamelijk is onderbouwd aan de hand van de resultaten van onderzoek naar de eigenschappen van DuoResp Spiromax 320. De betwisting van Teva van de inbreuk zou dus evengoed betrekking hebben op DuoResp Spiromax 160.