Merkenrecht

IEF 301

Ware schoonheid zit van binnen

Een lelijker website zul je niet snel vinden, maar op de website van het Benelux-Gerechtshof  kun je wel alle jurisprudentie van dit hof terugvinden. Zo te zien zijn alleen de volgende prejudiciële IE-vragen thans nog onbeantwoord:

“Moet onder ten gevolge van het onrechtmatige gebruik van het merk genoten winst, waarvan de afdracht in artikel 13, A, 5, van de eenvormige Beneluxwet op de merken is geregeld, worden verstaan de door de derde genoten brutowinst die wordt verkregen door de aankoopprijs van de litigieuze waren zonder meer af te trekken van de verkoopprijs dan wel de door die derde genoten nettowinst die wordt berekend door niet alleen de aankoopprijs van de waren maar ook de algemene onkosten van de verkoopprijs af te trekken"

"Wat moet in dit laatste geval onder aftrekbare algemene onkosten worden verstaan : gaat het om de algemene onkosten die heel de onderneming betreffen of uitsluitend om die algemene onkosten die met de litigieuze verkopen samenhangen.” Delhaize - Dior

"Heeft de merkhouder op grond van artikel 13bis van de Benelux Merkenwet in geval van kwade trouw en bij onmogelijkheid van het opvorderen van de eigendom van de goederen, het onbeperkte recht de gelden ten belope van de volledige tegenwaarde van de goederen waarmee de inbreuk op zijn merkrecht is gemaakt, op te vorderen?" Nextra - Meneba

IEF 298

Zacht van consistentie, romig van smaak

Een als culinair artikel vermomde casus in de M bijlage van de NRC. Joep Habets bericht dat Jan Uitentuis (foto) uit Middenbeemster als enige kaasmaker de Noord-Hollandse meshanger maakt. De Universiteit Wageningen had deze eind vorige eeuw uitgestorven kaassoort al eerder in een laboratoriumopstelling weten te reconstrueren en Uitentuis is er nu in geslaagd de kaas in productie te nemen. Maar, en nu komt het, de kaas wordt nu mesklever genoemd "want inmiddels heeft een kaasproducent de naam meshanger geclaimd voor een ander type kaas." Die producent is de Vandersterre Groep uit Bodegraven en heeft het merk in 1994 gedeponeerd. Nog afgezien van goede of kwade trouw en het feit dat de merken in beide gevallen uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van hoedanigheid, lijken er zo op het eerste gezicht nog wel meer aardige opmerkingen over deze zaak te maken. Mesklever is overigens nog niet gedeponeerd. Advocaten kunnen zich melden in Middenbeemster respectievelijk Bodegraven.

IEF 296

Voor wie niet de nuance zoekt

Een heel krantenbericht overnemen mag natuurlijk niet zomaar, maar het belang om te laten zien hoe een uitspraak van Hof van Jusitie door het ANP/FD wordt uitgelegd prevaleert in dit geval.

Geen merkrecht voor boy-band Westlife.

LUXEMBURG - De Ierse boy-band Westlife mag zijn naam niet met een merkrecht en het daarbij behorende 'r'-teken in een cirkeltje beschermen. Dat heeft het Europese Hof van Justitie woensdag bepaald na een klacht van de Duitse tabaksproducent Reemark. Die vindt dat de bandnaam te veel lijkt op die van zijn eigen sigarettenmerk West. De naam West was al eerder officieel beschermd. Westlife 's platenmaatschappij BMG kreeg wel een officiële merkenrechtelijke bescherming voor de naam van de boy-band, maar Reemark ging daartegen in beroep. Uiteindelijk belandde de zaak bij het Europese Hof, dat de Duitse klager nu in het gelijk stelt. In principe hebben BMG en Westlife geen verweer tegen handelaren die petjes of T-shirts met de naam van de band op de markt brengen. (anp) Copyright (c) 2005 Het Financieele Dagblad, 6 mei 2005.

IEF 291

West Best

Arrest GVEA, 4 mei 2005, zaak T-22/04. Reemark tegen OHIM/Bluenet. Oppositie o.g.v. ouder nationaal Duits merk WEST tegen CTM aanvraag voor het woordmerk WESTLIFE (inderdaad, van de boyband). Aardige uitspraak, vooral omdat het OHIM vanaf nu gewoon bezwaar mag maken tegen zijn eigen beslissingen. 

"Anders dan het BHIM in zijn memorie van antwoord stelt, volgt uit de rechtspraak niet dat het BHIM tot verwerping van een beroep tegen een beslissing van een van zijn kamers van beroep dient te concluderen...Het BHIM kan dus, zonder het voorwerp van het geding te wijzigen, concluderen tot toewijzing van de vordering van één van de andere partijen, naar zijn keuze, en argumenten voordragen tot staving van de door die partij aangevoerde middelen. Daarentegen kan het niet autonoom de vernietiging vorderen of middelen tot vernietiging voordragen die niet door de andere partijen zijn aangevoerd."

De jongens van Westlife komen er minder goed af. De oppositie tegen hun CTM wordt toegewezen. GvEA merkt o.a. op dat combinaties beschouwd kunnen worden als een variant. "Anderzijds moet worden vastgesteld dat het bestaan van het oudere merk West bij het relevante publiek een associatie zou kunnen hebben teweeggebracht tussen dit woord en de door de eigenaar van het merk verkochte waren, zodat elk nieuw merk bestaande uit dit woord in combinatie met een ander woord het gevaar loopt te worden beschouwd als een variant op het oudere merk. Derhalve zij opgemerkt, dat het relevante publiek zou kunnen menen dat de onder het merk Westlife verkochte waren en diensten dezelfde herkomst hebben als die welke onder het merk West worden verkocht, of dat er ten minste een economische band bestaat." Lees arrest.

IEF 290

Sterrenslag

Arrest GvEA, 4 mei 2005, zaak T-359/02. Chum tegen OHIM+Star TV. Oppositiezaak. Oudere IR beeldmerk Star TV tegen CTM aanvraag voor het woordmerk Star TV. GVeA wijst oppositie toe.

Weinig opzienbarende zaak. Aardig zijn de stukken over soortgelijkheid van waren en diensten. "Volgens vaste rechtspraak zijn de factoren waarmee bij de beoordeling van de soortgelijkheid van de waren of diensten rekening dient te worden gehouden, onder meer de bestemming en het concurrerend dan wel complementair karakter daarvan zijn. In casu moeten de in de merkaanvraag bedoelde activiteiten van productie, opname en ontwikkeling van televisieprogramma’s, video, banden, cd’s, cd-roms en computerschijven, vergelijkbaar worden geacht met de door het oudere merk beschermde productie van televisieprogramma’s, voorzover zij een hieraan complementair karakter hebben, aangezien daaronder ook de vervaardiging van audiovisuele of multimediaproducten valt, die een specifieke vorm van verspreiding van de producten van opposante kan zijn, ofwel het elektronisch medium is voor dergelijke uitzendingen."

"Interactieve televisie, die gebruikmaakt van elektronische media zoals digitale televisie of internet, waardoor de afnemers een gebruik van de dienst kunnen maken dat verder gaat dan de passieve ontvangst van de beelden, moet worden gezien als een bijzondere verschijningsvorm van televisie...Een zelfde conclusie moet worden getrokken met betrekking tot de „productie van televisieprogramma’s”. Ook in dit geval dekt verzoeksters ruimere formulering immers tevens de onder bescherming van het oudere merk geproduceerde televisieprogramma’s, die specifiek betrekking hebben op film"

Woordmerk STAR TV en beeldmerk STAR TV zijn bovendien sterk overeenstemmend: "Gelet op het feit dat het aangevraagde merk samenvalt met het dominerende woordbestanddeel van het oudere merk, heeft de kamer van beroep niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven door te oordelen dat er een sterke overeenstemming tussen de twee merken bestaat."

En, als in zoveel arresten speelt ook hier de bewijsvoering een belangrijke rol. "Wat de argumenten betreft die verzoekster ontleent aan haar verschillende nationale, internationale en communautaire inschrijvingen van merken die het woord „star” of de afbeelding van een ster bevatten, alsmede het volgens haar courante gebruik van het woord „star” voor de in geding zijnde diensten, behoeft slechts te worden vastgesteld dat deze argumenten voor de oppositieafdeling noch voor de kamer van beroep zijn aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak kunnen feiten die voor het Gerecht worden ingeroepen zonder voordien voor de instanties van het BHIM te zijn aangedragen, de wettigheid van deze beslissingen slechts aantasten indien het BHIM deze ambtshalve in aanmerking had moeten nemen."

 Lees arrest.

IEF 284

LeakLock vs. LecWec

Rechtbank ’s-Gravenhage, 27 april 2005, HA ZA 04-4222.  Richard Chambers GmbH tegen D.A.T. Group International B.V. & H.B.S. Trading B.V.

Een rechttoe-rechtaan-uitspraak over olie additieven, gebruikt om lekke keerringen in motoren te dichten en lekkages te voorkomen.

De rechtbank beslist (terecht) dat de merken LeakLock en LecWec niet op elkaar lijken, omdat ze “(…) naar de totaalindruk bezien auditief, visueel en/of begripsmatig niet een zodanige gelijkenis (vertonen), dat daardoor bij het relevante publiek directe of indirecte verwarring kan worden gewekt, nog daargelaten de aanzienlijk verschillende verpakkingen waarin de beide producten worden aangeboden.”

Bovendien hebben eisers ‘geen feiten of omstandigheden gesteld die nog zouden kunnen leiden tot de conclusie dat eisers in plaats van of naast de merkhouder gerechtigd zouden zijn de onderhavige op merkinbreuk gebaseerde vorderingen in te stellen.”

Tenslotte, vond het merkgebruik door gedaagden plaats in een periode gelegen vóór de publicaties van zowel de aanvrage als de inschrijving van het onderhavige Gemeenschapsmerk en is het inmiddels gestaakt.

Lees het vonnis hier.

IEF 283

Duitsland is nu niet ver meer

Artikel van Kees Kuilwijk over de interpretatie van de Europese richtlijn voor elektronische handel door de Duitse rechter. "Een internetveilingsite die kennis verkrijgt van een beweerde inbreuk op een handelsmerk met betrekking tot de verkoop van goederen op zijn site, moet deze verkoop niet alleen onmiddellijk verhinderen, maar dient ook serieuze stappen te nemen om verdere inbreuk te voorkomen, zo oordeelde het Keulse Oberlandesgericht vorige maand. De Duitse rechters lijken te ver te gaan....Duitsland is nu niet ver meer van een algemene verplichting voor tussenpersonen om automatische filters te installeren waarin in ieder geval gezocht moet worden op woorden als 'imitatie', 'replica' en misschien wel op alle merknamen waarop ooit inbreuk is gemaakt op de site. Slaagt de tussenpersoon er niet in merkinbreuk te voorkomen dan is hij aansprakelijk voor de schade geleden door de merkhouder. "

Lees meer op netkwesties.nl

IEF 276

De Return

Vandaag in het FD: "Unilever neemt risico in juridische strijd om merkenrecht. De inkt van de uitspraak in het kort geding dat het voedingsconcern tegen de supermarktbedrijf aanspande, was nog niet droog of Unilever kondigde al aan in hoger beroep te gaan. Het vonnis van de rechter nodigt daartoe uit, maar bevorderlijk voor de relatie tussen leverancier en klant is verder procederen allerminst…ook merkenadvocaat Paul Steinhauser leest in de woorden van de rechter een invitatie aan Unilever om in beroep te gaan. Steinhauser zegt verrast te zijn door de uitspraak van de Arnhemse rechter. 'Ik verwachtte dat Unilever er een harde dobber aan zou hebben om inbreuk op het merkenrecht aan te tonen, omdat Albert Heijn zich bij kleurstelling en andere kenmerken beriep op wat gangbaar is in de productcategorieën. De rechter heeft daar in twee gevallen doorheen gekeken.'"