Merkenrecht

IEF 10519

Oppervlak van glasplaat

HvJ EG 28 juni 2004, zaak C-445/02 P (Glaverbel tegen OHIM; oppervlak van glasplaat) - dossier

Merkweigering.
KMVS-IE NL06_Page_16_Image_0001.pngOok Gerecht EU 2007, IEF 4701. Glaverbel vraagt gemeenschapsmerk aan voor een dessin dat bedoeld is om te worden toegepast op glas voor sanitaire installaties (zie afbeelding).

Het Gerecht van Eerste Aanleg overwoog: ‘dat het dessin, bestaande uit een ontelbaar aantal streepjes, ongeacht het oppervlak van de plaat, samenvalt met het uiterlijk van de waar zelf, waarin de evidente kenmerken van de waar tot uiting komen, waardoor het dessin in de eerste plaats wordt opgevat als een technisch middel om het glas ondoorzichtig te maken. De complexe en fantasievolle aard van het aangevraagde dessin lijkt eerder een gevolg te zijn van een esthetische of decoratieve afwerking. Op grond van de algemene complexiteit van het dessin en de toepassing ervan op de buitenkant van de waar is het niet mogelijk, aldus het Gerecht verder, bijzondere details van dit dessin te onthouden, noch om het dessin waar te nemen zonder tegelijkertijd de wezenlijke kenmerken van de waar te zien. Tot slot laat het dessin niet steeds dezelfde indruk achter. Deze indruk varieert namelijk naar gelang van de hoek waaronder men de waar bekijkt, de lichtintensiteit en de kwaliteit van het glas.’ (Ov. 33).

Het Gerecht heeft hieruit geconcludeerd, dat het teken geen aanduiding van de herkomst van de waar bevat voor het relevante publiek, dat zowel vaklui in de bouwsector als het grote publiek omvat.

Verklaringen van vaklui en consumenten dat zij het glas wel als afkomstig van Glaverbel herkennen doen daar volgens het Gerecht niet aan af. Dit betreft feitelijke waarderingen waar het HvJ EG niet over oordeelt.

33 Het overwoog aldaar dat het dessin, bestaande uit een ontelbaar aantal streepjes, ongeacht het oppervlak van de plaat, samenvalt met het uiterlijk van de waar zelf, waarin de evidente kenmerken van de waar tot uiting komen, waardoor het dessin in de eerste plaats wordt opgevat als een technisch middel om het glas ondoorzichtig te maken. De complexe en fantasievolle aard van het aangevraagde dessin lijkt eerder een gevolg te zijn van een esthetische of decoratieve afwerking. Op grond van de algemene complexiteit van het dessin en de toepassing ervan op de buitenkant van de waar is het niet mogelijk, aldus het Gerecht verder, bijzondere details van dit dessin te onthouden, noch om het dessin waar te nemen zonder tegelijkertijd de wezenlijke kenmerken van de waar te zien. Tot slot laat het dessin niet steeds dezelfde indruk achter. Deze indruk varieert namelijk naar gelang van de hoek waaronder men de waar bekijkt, de lichtintensiteit en de kwaliteit van het glas.

IEF 10476

MATRATZEN CONCORD markt / MATRATZEN

HvJ EG 28 April 2004, zaak C-3/03 P (Matratzen Concord tegen OHIM/Hukla; inzake Matratzen) - dossier

(verwarring)

Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Overeenstemming tussen twee merken - Gevaar voor verwarring - Aanvraag tot inschrijving van beeldmerk met woord "Matratzen" als gemeenschapsmerk - Ouder woordmerk MATRATZEN

Hukla stelde op basis van haar Spaanse merk ‘Matratzen’ oppositie in tegen registratie van een woord-beeldmerk als gemeenschapsmerk MATRATZEN voor matrassen door Matratzen Concord.

Het Gerecht: het woord ‘Matratzen’ is het dominerende bestanddeel;  de twee merken stemmen voor het relevante publiek visueel en auditief overeen. Ten slotte heeft het Gerecht beslist dat de mate van overeenstemming van de betrokken merken en de mate van gelijksoortigheid van de door deze merken aangeduide waren tezamen genomen hoog genoeg zijn en dat de kamer van beroep daarom terecht gevaar van verwarring tussen de betrokken merken heeft aangenomen.

Het Gerecht heeft:

‘terecht gepreciseerd dat bij de beoordeling van de overeenstemming van twee merken niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk mag worden beschouwd en vergeleken met een ander merk, maar dat de betrokken merken juist elk in hun geheel met elkaar moeten worden vergeleken. Volgens het Gerecht sluit dit niet uit dat de totaalindruk die door een samengesteld merk wordt opgeroepen bij het relevante publiek, in bepaalde omstandigheden door een of meer van de bestanddelen ervan kan worden gedomineerd.’ (Ov. 32).

1. In het kader van de toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk mag bij de beoordeling van de overeenstemming van twee merken niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk worden beschouwd en vergeleken met een ander merk, maar moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel met elkaar worden vergeleken. Dit sluit niet uit dat de totaalindruk die door een samengesteld merk bij het relevante publiek wordt opgeroepen, in bepaalde omstandigheden door een of meer van de bestanddelen ervan kan worden gedomineerd. (cf. punt 32)

 

2. De beoordeling van de feiten door het Gerecht, op grond waarvan het tot de conclusie komt dat het woordbestanddeel in een woord‑ en beeldmerk waarvan inschrijving als gemeenschapsmerk wordt aangevraagd, het dominerende bestanddeel van het betrokken merk is, levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening. (cf. punt 34)

 

3. Het aan de merkhouder toegekende recht om zich te verzetten tegen elk gebruik van dit merk dat afbreuk zou kunnen doen aan de herkomstgarantie, dat de hoofdfunctie van het merk vormt, behoort tot het specifieke voorwerp van het merkrecht, waarvan de bescherming afwijkingen van het beginsel van het vrij verkeer van goederen kan rechtvaardigen.

 

Het beginsel van het vrije verkeer van goederen verbiedt een lidstaat niet om een teken dat in de taal van een andere lidstaat beschrijvend is voor de betrokken waren of diensten, als nationaal merk in te schrijven, en verbiedt evenmin de houder van een dergelijk merk om bij gevaar van verwarring tussen dit nationale merk en een aangevraagd gemeenschapsmerk oppositie tegen de inschrijving van dit laatste in te stellen. (cf. punten 41‑42)
IEF 10477

Marca / Adidas

HvJ EG 22 juni 2000, zaak C-425/98 (Marca c.s. tegen Adidas; inzake: drie versus twee strepen) - conclusie - dossier - BenGH - concl BenGH

(verwarring)

In navolging van HR 16 februari 2007, Hof 's-Hertogenbosch 29 maart 2005 en Rechtbank Breda 13 oktober 1998, HA ZA 97-1622 (hierin opgenomen). Marca verkocht kleding met twee strepen, Adidas maakte daar bezwaar tegen op basis van haar 3-strepen merken (BNL 1340, BNL 325509, BNL 0362768, WIPO 414034). Zie ook Adidas/Fitnessworld, IEF 2829.

‘Artikel 5, lid 1, sub b [Merkenrichtlijn], kan niet aldus worden uitgelegd, dat ingeval dat: - een merk hetzij van huis uit hetzij wegens zijn bekendheid bij het publiek een bijzondere onderscheidingskracht bezit, en - een derde zonder de toestemming van de merkhouder in het economisch verkeer voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, een teken gebruikt dat in zodanige mate met het merk overeenstemt dat daardoor de mogelijkheid van associatie met het merk ontstaat, het uitsluitend recht van de merkhouder hem toestaat aan die derde dat gebruik van het teken te verbieden, wanneer de onderscheidingskracht van het merk zodanig is dat niet uitgesloten is, dat die associatie verwarring kan doen ontstaan.’ (Dictum).

‘39. Het Hof heeft hiermee te kennen gegeven, dat de bijzondere onderscheidingskracht van het oudere merk het verwarringsgevaar kan vergroten en, in geval van een begripsmatige gelijkenis tussen merk en teken, aan het ontstaan van dit gevaar kan bijdragen. De negatieve formulering „kan niet worden uitgesloten” in punt 24 van het arrest SABEL (reeds aangehaald) benadrukt enkel de mogelijkheid, dat uit de combinatie van de twee genoemde factoren een gevaar kan ontstaan. Zij betekent geenszins een vermoeden van verwarringsgevaar bij het bestaan van gevaar voor associatie in enge zin. Met deze formulering heeft het Hof impliciet gedoeld op de door de nationale rechter in iedere bij hem aanhangige zaak te verrichten bewijswaardering. Het Hof heeft de nationale rechter niet ontheven van de noodzakelijke positieve vaststelling van verwarringsgevaar, waarvan het bewijs moet worden geleverd.’ (Ov. 39).

NJ 2000/714; BIE 2001/9, m.nt. JHS; IER 2000/50, m.nt. RdR; NTER 2000/10, m.nt. R.P. Raas

IEF 8425

Steen tegen rode steen

GvEA, 13 oktober 2009, zaak T-146/08, Deutsche Rockwool Mineralwoll GmbH & Co. OHG tegen OHIM / Redrock Construction s.r.o.

Gemeenschapsmerk. Oppositieprocedure tegen aanvraag Gemeenschapsbeeldmerk REDROCK o.g.v. ouder Duits nationaal woordmerk ROCK (bouwmaterialen). Geen verwarringsgevaar.

54. Il convient de relever qu’au moins une partie des matériaux de construction figurant parmi les produits concernés est fabriquée à partir de matières premières à base de pierre qui, surtout dans leur état naturel, peuvent facilement être associées par le public pertinent au terme « rock », même dans le sens « rocher » ou « falaise », de sorte qu’il en est largement descriptif.


57. Eu égard aux considérations qui précèdent, il convient de considérer que la chambre de recours a estimé à bon droit que la marque antérieure ne possède qu’un faible caractère distinctif par rapport aux produits et aux services visés.

(…)

65. Il s’ensuit que les éléments verbaux « red » et « rock » détiennent une place équivalente dans l’impression visuelle créée par la marque demandée.

66. L’élément « rock » n’étant pas dominant dans la marque demandée, il convient de comparer celle-ci dans son ensemble avec la marque antérieure.

67. À cet égard, il y a lieu de constater que les deux signes présentent certains éléments de similitude en raison de l’élément commun « rock ». Cependant, ils diffèrent sensiblement, sur le plan visuel, en raison de leur différente longueur, du fait que les trois premières lettres sont différentes, que la marque demandée comporte un élément figuratif et que celui-ci est inséré dans la syllabe initiale « red », à laquelle le public pertinent attache normalement plus d’importance.

(…)

87. Cette conclusion ne saurait être remise en cause par l’argument de la requérante selon lequel la marque demandée peut être considérée, par le public pertinent, comme une variante ou une déclinaison de la marque antérieure. En effet, dans le cas d’une marque antérieure largement descriptive des produits et des services visés, le seul fait que ladite marque est intégralement reprise dans la marque demandée ne suffit pas pour constater que le public pertinent puisse considérer cette dernière comme sa variante.

88. Dès lors, c’est à bon droit que la chambre de recours a considéré qu’il n’existait pas de risque de confusion entre les signes en conflit.

Lees het arrest hier.