Mediarecht

IEF 14746

Schadevaststelling Malafide hondenhandelaren

Hof Amsterdam 21 oktober 2014, IEF 14746; ECLI:NL:GHAMS:2014:4329 (TROS tegen Lako Kennels)
Mediarecht. Zie eerder ECLI:NL:GHAMS:2013:2860; IEF 10102 en IEF 2088. Schadevaststelling na in eerdere procedure vastgestelde onrechtmatige uitzending van Radar over (volgens Tros) malafide hondenhandelaren. Behandeling van grieven tegen schadevaststelling door rechtbank op basis van deskundigenrapport. Hof corrigeert de schadevaststelling in die zin dat geoordeeld wordt dat sprake is van schade (in de vorm van winstderving) over een kortere periode dan de rechtbank oordeelde alsmede dat de schade over de laatste jaren van die periode aanmerkelijk lagere bedragen betreft dan door de rechtbank (aan de hand van het deskundigenrapport) was bepaald. Tros wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding (in hoofdsom) van € 328.109,- (in eerste aanleg was dat € 505.579,-).
Lees verder

IEF 14743

Vrije nieuwsgaring is niet ongeclausuleerde toegang tot PI

Vzr. Rechtbank Den Haag 29 januari 2015, IEF 14743; ECLI:NL:RBDHA:2015:1404 (Journalist tegen Staat der Nederlanden)
Eiser is een journalist. Hij vordert medewerking van de Staat aan door hem te maken opnames in detentiecentra voor vreemdelingenbewaring. Volgens eiser beperken de voorwaarden die de Staat aan de medewerking stelt het recht op vrije nieuwsgaring op ontoelaatbare wijze. Geoordeeld wordt dat de vrijheid van nieuwsgaring niet meebrengt dat eenieder een ongeclausuleerd recht heeft op toegang tot penitentiaire inrichtingen. De Staat is onder redelijke voorwaarden bereid eiser de toegang te verlenen tot de detentiecentra.

4.1. (...) Het geschil dat partijen thans nog verdeeld houdt, spitst zich toe op de vraag of de voorwaarden geoorloofd zijn die de Staat aan die toegang verbindt.

4.2. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat de vrijheid van nieuwsgaring niet meebrengt dat eenieder een ongeclausuleerd recht heeft op toegang tot penitentiaire inrichtingen. De Staat is op grond van de Penitentiaire beginselenwet bevoegd de toegang tot penitentiaire inrichtingen aan regels te verbinden, zodat onder meer de rust en de veiligheid binnen de inrichtingen, alsmede de privacy van bewoners en medewerkers kunnen worden gewaarborgd.

4.3. [eiser] stelt dat de bepaling in de concept-overeenkomst dat het door hem te vervaardigen beeldmateriaal slechts eenmalig ten behoeve van een fotoreportage in Vrij Nederland mag worden gebruikt, een schending betekent van het recht op vrije nieuwsgaring. Die stelling wordt niet gevolgd. Uit het oogpunt van de ratio van artikel 10 EVRM dient immers voor een succesvol beroep op het recht van vrije nieuwsgaring sprake te zijn van een publiek of maatschappelijk belang dat wordt gediend met de publicatie van de beelden. De Staat heeft niet betwist dat een dergelijk belang bestaat met betrekking tot de gewenste reportage in Vrij Nederland. Of dat ook zo is bij mogelijke toekomstige publicaties zal per geval moeten worden beoordeeld. Dat de Staat daarom niet bereid is [eiser] op voorhand elke verdere verspreiding van beeldmateriaal toe te staan, levert dan ook geen schending op van artikel 10 EVRM en soortgelijke bepalingen die het recht op vrije nieuwsgaring waarborgen.

4.4. [eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat de toestemming voor het gebruik van de beelden ten onrechte wordt beperkt tot publicatie in Vrij Nederland, nu ook andere media en NGO’s de beelden wensen te publiceren. Uit de ter onderbouwing van dat standpunt overgelegde stukken volgt echter slechts dat derden hun interesse bij (de raadsman van) [eiser] kenbaar hebben gemaakt. Niet blijkt van een concreet, aan de Staat gericht, verzoek om tot publicatie over te mogen gaan. In deze procedure kan niet op een (mogelijk) dergelijk verzoek worden vooruitgelopen.
IEF 14742

EHRM oordeelt voor het eerst over gebruik verborgen camera

EHRM 24 februari 2015, IEF 14742; verzoek 21830/09 (Haldimann e.a. tegen Zwitserland)
Een bijdrage van Jens van den Brink, Kennedy Van der Laan. Mediarecht. Ulrich Haldimann en drie andere Zwitserse journalisten hebben voor het consumentenprogramma ‘Kassensturz’ een item gemaakt over verzekeringsagenten. Om het wangedrag van verzekeringsadviseurs aan de kaak te stellen is met een verborgen camera een gesprek opgenomen tussen een redacteur die zich voordeed als klant, en een verzekeringsagent. Aan het einde van de opname volgde een confrontatie met een andere redacteur die vanuit een aangrenzende kamer had meegeluisterd. De beelden werden vervolgens uitgezonden. Gezicht en stem van de agent werden in de uitzending vervormd.
Lees verder

IEF 14727

EHRM: Juiste belangenafweging bij satirische sigarettenreclame

EHRM 19 februari 2015, IEF 14727; verzoek 53495/09 en 53649/09 (Bohlen en Ernst August von Hannover tegen Duitsland)
Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx. Mediarecht. Geen schadevergoeding 'notional licence fee'. De zaak betreft het zonder toestemming gebruiken van de voornamen van klagers (twee publieke personen in Duitsland) in een humoristische sigarettenreclame en een nieuwsitem. De advertenties waar het om gaat, gaan over, respectievelijk, een boek gepubliceerd door de musicus Dieter Bohlen en de woordenwisseling waarbij Ernst August von Hannover betrokken was.

Het Hof constateert dat het Duitse Federale Hof van Justitie een billijke afweging heeft gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op privacy anderzijds, door rekening te houden met het commerciële en humoristische karakter van de advertenties, de context waarin deze zijn gepubliceerd, het ontbreken van een vernederende of negatieve inhoud in relatie tot klagers, en het voorafgaande publieke gedrag van klagers. Derhalve is er naar het oordeel van het Hof een grondige afweging geweest tussen de op het spel staande belangen. [Zie ook: NRE]

However, the Federal Court of Justice, to which the company British American Tobacco appealed on points of law, quashed the Court of Appeal judgments on 5 June 2008. It held, in particular, that despite their commercial nature the advertisements in question were apt to help shape public opinion. Furthermore, they had not exploited the applicants’ good name or contained anything that was degrading to them. The applicants’ claims seeking a notional licence fee were therefore dismissed.

IEF 14704

Verwijdering schotelantenne, streaming alternatieven en esthetische architectuur

Hof Amsterdam 17 februari 2015, IEF 14704; ECLI:NL:GHAMS:2014:5417 (Stichting Ymere tegen Portugese huurder)
Informatievrijheid. Architectuur. Esthetisch belang. Huurder plaatst schotelantenne op het gehuurde, terwijl dit niet is toegestaan volgens de huurovereenkomst. Afweging in het licht van art. 6 EVRM ter zake van het belang op vrije nieuwsgaring – in casu het belang van huurder bij het kunnen volgen van bepaalde Portugeestalige televisieprogramma’s –, tegenover het esthetische belang van de woningbouwvereniging om geen schotelantennes te hebben op het onder architectuur gebouwde pand, op een beeldbepalende locatie aan het IJ. De belangenafweging valt uit in het voordeel van de woningbouwvereniging, onder meer omdat er gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn voor huurder door het bekijken van televisieprogramma’s door middel van streaming via internet.

2.3. Het hof overweegt het volgende.
Uit de door Ymere gegeven presentatie bij de gerechtelijke plaatsopneming is gebleken dat er verschillende mogelijkheden zijn om Portugeestalige programma's te bekijken via internet. De RTP-zenders zijn real time te bekijken.
Daarnaast zijn er nog verschillende Portugeestalige zenders waarop achteraf programma's te bekijken zijn, zoals portocanal.sapo, tvbrasil en livesoccertv. Zaaptv en Netflix laat het hof buiten beschouwing, nu niet is komen vast te staan dat deze thans Portugeestalige programma's ter beschikking stellen. Ook Panda-tv laat het hof buiten beschouwing, nu niet is komen vast te staan dat deze zender in Nederland op legale wijze te bekijken is.
Ook wanneer laatstgenoemde zenders buiten beschouwing worden gelaten, zijn er naar 's hofs oordeel met de genoemde mogelijkheden voldoende alternatieven beschikbaar voor [geïntimeerde] om Portugeestalige programma's te bekijken en aldus voeling te houden met de Portugese taal en cultuur. Het moge zou zijn dat de via internet gestreamde programma's soms van mindere kwaliteit zijn, maar dit kwaliteitsgebrek is niet zodanig ernstig dat feitelijk de programma's niet bekeken zouden kunnen worden.
Het hof onderkent dat [geïntimeerde] hiermee niet precies de programma's kan zien die hij wil. Gelet op het brede scala van mogelijkheden is echter onvoldoende onderbouwd en toegelicht dat de programma's die wel bekeken kunnen worden, [geïntimeerde] geen voldoende gelijkwaardig alternatief bieden. Daarmee is onvoldoende komen vast te staan dat de beschikbare alternatieven wezenlijk afbreuk doen aan het recht van [geïntimeerde] op vrije nieuwsgaring.

2.5. Bij de te maken belangenafweging neemt het hof voorts in aanmerking dat de geplaatste schotelantenne duidelijk zichtbaar is op de gevel van het gebouw van [geïntimeerde], ook al is de schotel niet wit. Dat gebouw is, zoals Ymere terecht heeft aangevoerd, gelegen op een beeldbepalende locatie aan het IJ en heeft, als oud havenpakhuis, een strakke architectuur. Deze strakke architectuur wordt doorbroken door de aanwezigheid van de schotelantennen, die daardoor als ontsierend kan worden ervaren. Ymere heeft derhalve een redelijk belang om zich op esthetische gronden te verzetten tegen de aanwezigheid van de schotelantenne.
Dit bezwaar komt extra gewicht toe, nu gebleken is dat na de plaatsing van de schotelantenne door [geïntimeerde] meerdere bewoners van het complex een schotelantenne hebben geplaatst; ten tijde van de gerechtelijke plaatsopneming bevonden zich in ieder geval vier schotelantennes op de gevel van het gebouw. De door Ymere geuite vrees voor precedentwerking is derhalve reëel gebleken.

Op andere blogs:
SOLV
Ius Mentis

IEF 14703

Rechtmatige uitlating burgemeester over 'intrekking' van subsidie

Vzr. Rechtbank Amsterdam 25 februari 2015, IEF 14703; ECLI:NL:RBAMS:2015:974 (Stichting Oogappel tegen Gemeente Amsterdam)
Mediarecht. Geen rectificatie. Rechtmatige uitlating. Vordering tot rectificatie van de Stichting Oogappel (vrijwilligersorganisatie van vrouwen en meisjes uit etnische minderheidsgroep) tegen de Gemeente Amsterdam, wordt afgewezen. De Gemeente heeft volgens de voorzieningenrechter niet onrechtmatig gehandeld door bij monde van de burgemeester te verklaren dat de subsidie is ingetrokken. Aanleiding van deze kwestie was ambtsbericht van AIVD dat een deelneemster aan activiteiten van de stichting anti-integratief gedachtengoed zou verspreiden.

Strikt genomen is geen sprake van ‘intrekking’ van subsidie, wanneer de Stichting op dat moment geen subsidie ontving. Het verschil in betekenis tussen het intrekken van subsidie en het niet verlenen daarvan (het afwijzen van aanvragen) is echter dermate subtiel, dat de uitlating van de burgemeester in deze context niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

4.5. In de commissievergadering is aan de orde geweest dat geen subsidie zal worden verstrekt aan organisaties (buurthuizen) die mogelijk anti-integratieve activiteiten ontplooien en/of het uiten van radicaal islamitisch gedachtegoed propageren en/of faciliteren. In dat verband is de kwestie met de Stichting aan de orde gekomen. Niet in geschil is dat naar aanleiding van het ambtsbericht van de AIVD de toen lopende subsidieaanvragen van de Stichting zijn afgewezen. In die context heeft de burgemeester zijn uitlatingen gedaan. Strikt genomen is geen sprake van ‘intrekking’ van subsidie, als, zoals tussen partijen niet in geschil is, de Stichting op dat moment geen subsidie ontving. Het verschil in betekenis tussen het intrekken van subsidie en het niet (langer) verlenen daarvan (het afwijzen van aanvragen) is echter dermate subtiel, dat de uitlating van de burgemeester in deze context niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Indien de burgemeester zou hebben verklaard dat de subsidieaanvraag was afgewezen in plaats van dat de subsidie was ingetrokken, zouden de gevolgen daarvan voor de Stichting immers vermoedelijk niet anders zijn geweest. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering onder A wordt afgewezen.
IEF 14696

Avrotros mag aflevering ‘Tros Radar’ uitzenden

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 23 februari 2015, IEF 14696 (Stichting Loterijverlies tegen Tros Radar)
Mede ingezonden door Bertil van Kaam, Van Kaam advocaten. Mediarecht. De voorzieningenrechter in Lelystad heeft maandag bepaald dat Avrotros de uitzending van ‘Tros Radar’ met een item over loterijverlies maandag wel mag uitzenden (hier). Stichting Loterijverlies.nl spande een kort geding aan tegen Avrotros om een verbod op de uitzending van Tros Radar af te dwingen. Stichting Loterijverlies.nl won onlangs een zaak tegen de Staatsloterij [Reclameboek.nl RB 2315]. De stichting roept nu mensen die met de Staatsloterij hebben meegespeeld op zich bij de hen aan te melden. Via de stichting zouden gedupeerden kans maken hun inleggeld terug te krijgen. Avrotros wilde in het programma Tros Radar een item uitzenden waarbij twee deskundigen hun visie geven over hoe groot die kans is dat gedupeerden hun geld terugkrijgen.

Vrijheid van meningsuiting
De rechter kan een uitzending verbieden als het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het recht van vrijheid van meningsuiting/persvrijheid. De rechter stelde vast dat van laster geen sprake is, dat er voldoende hoor en wederhoor door Avrotros is toegepast en dat de vrees van Loterijverlies om negatief te worden weggezet, niet aannemelijk is geworden. De rechter oordeelde daarom dat het recht van vrijheid van meningsuiting/persvrijheid in dit kort geding zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van de stichting.

De schriftelijke motivering van de uitspraak wordt binnenkort gepubliceerd.

Op andere blogs:
MediaReport

IEF 14677

Geen rectificatie van de naam als bron van een artikel

Vzr. Rechtbank Limburg 22 september 2014, IEF 14677; ECLI:NL:RBLIM:2014:8170 (Maastricht Dichtbij)
Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Op dichtbij.nl is een artikel gepubliceerd over een goededoelenproject waarin de suggestie wordt gedaan dat initiatiefnemer frauduleuze handelingen heeft gepleegd bij geldinzameling, daarbij is de naam van eiseres en haar moeder als bron genoemd. De redacteur heeft onderbouwd dat hij moeder van eiseres heeft gesproken, telefonisch en na de publicatie ook per e-mail. Dat eiseres niet al één van de bronnen heeft gefungeerd lijkt onwaarschijnlijk. De rectificatie wordt afgewezen.

"de voorzieningenrechter [kan] niet met voldoende mate van zekerheid waarschijnlijk oordelen dat eiseres niet als één van de bronnen heeft gefungeerd van het artikel (...), zodat vooralsnog niet voldoende aannemelijk is dat de door eiseres (...) gevorderde rectificatie in een bodemprocedure zal worden toegewezen."

4.3. Eiseres stelt dat zij niet de door de redacteur in het artikel genoemde (tweede) bron is en dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar niettemin als zodanig op te voeren. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rust bij eiseres de bewijslast haar stelling dat zij niet mede de bron van het artikel was. Voorshands is niet gebleken dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval een andere verdeling van die bewijslast met zich mee zouden brengen.


4.4. Overwogen wordt dat gedaagde met stukken heeft onderbouwd, en ook niet in geschil is, dat de redacteur van het artikel op 14 juli 2014 met de moeder van eiseres heeft gebeld. Partijen zijn het er ook over eens dat hij in ieder geval met de moeder van eiseres heeft gesproken en dat hij daarvan getrouw verslag heeft gedaan in het artikel van 15 juli 2014. De redacteur belde met de vaste telefoonlijn van de moeder van eiseres die is gekoppeld aan het adres waar eiseres en haar moeder wonen. Na het gesprek heeft de redacteur per sms aan zijn hoofdredacteur bericht dat hij: “de mensen uitgebreid [had] gesproken”. De redacteur en de moeder van eiseres hebben na het plaatsen van het artikel over en weer nog e-mailcontact gehad over de verdere afhandeling van hetgeen zij eerder telefonisch hadden besproken, waarbij door de moeder van eiseres geen opmerking is gemaakt over het feit dat eiseres als bron is vermeld. Daarnaast acht de voorzieningenrechter relevant dat de eiseres de juistheid van de aan haar toegeschreven uitlatingen over haar persoonlijke verhouding tot de personen die hoofdonderwerp zijn van het artikel en hetgeen zich tussen hen heeft afgespeeld, niet weerspreekt.

4.6. Eiseres stelt weliswaar dat zij tijdens gemeld telefoongesprek niet thuis was, waartoe zij verwijst naar de door haar overgelegde verklaringen van haar moeder en zus, doch gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagde acht de voorzieningenrechter die verklaringen, mede nu deze door familieleden van eiseres in haar voordeel zijn afgelegd, onvoldoende om af te doen van voormeld oordeel. Daarbij speelt een rol dat indien zou worden afgegaan op deze verklaringen, de conclusie moet zijn dat de redacteur heeft verzonnen dat hij ook met een ander dan de moeder van eiseres heeft gesproken. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding daarvan uit te gaan.