Handelsnaamrecht

IEF 1537

Chi Neng : De Europese Qi Gong

Rechtbank ‘s-Gravenhage, 24 januari 2006, KG ZA 05-1308. Patricia Van Walstijn tegen Anne Hering. Recht toe recht aan-vonnis na ruzie tussen handelspartners.

Eiseres Van Walstijn houdt zich bezig met Qi Gong, een Chinese bewegingsleer. Zij doet dit sinds 1998 in Nederland onder de naam CHI NENG. In dat verband geeft Van Walstijn les en organiseert zij workshops en seminars. Verder vervaardigt en produceert zij materiaal met betrekking tot de leer. Van Walstijn heeft het teken CHI NENG als woordmerk gedeponeerd.

In 2000 is Van Walstijn in contact gekomen met gedaagde Hering, die vervolgens in China opleidingen heeft gevolgd waarna zij door de Master in China werd gecertificeerd om lessen en opleiding te gaan geven. In overleg met Van Walstijn is Hering in Duitsland activiteiten op het gebied van de bewegingsleer gaan ondernemen, en wel onder de naam CHI NENG, waartoe zij in het handelsregister haar eenmanszaak “Chi Neng Institute Deutschland” heeft ingeschreven. De samenwerking tussen partijen is in augustus 2005, na discussie omtrent (verder) te maken afspraken, tot een einde gekomen.

Eiseres wil nu dat gedaagde ieder gebruik van het merk en de handelsnaam CHI NENG staakt en gestaakt houdt, alsmede iedere inbreuk op auteursrechten van Van Walstijn te staken en gestaakt te houden.

De rechtbank wijst de vorderingen inzake de merken en de handelsnaam toe. De vordering inzake inbreuk op auteursrecht, alsmede de nevenvorderingen (i.c. het doen van opgave, het vernietigen voorraad en het opnemen op een website van een rectificatie) worden als te verstrekkend beschouwd en zijn derhalve niet toewijsbaar.

Over de geldigheid van het gemeenscahpsmerk merkt d erechtbank nog het volgende op:

"5.2. Van Walstijn heeft betoogd dat de voorzieningenrechter dient uit te gaan van de geldigheid van het ingeroepen Gemeenschapsmerk, zulks op grond van hetgeen is bepaald in artikel 95, eerst lid, van de Gemeenschapsmerkenverordening, welke bepaling luidt als volgt:

“De rechtbanken voor het Gemeenschapsmerk beschouwen het Gemeenschapsmerk als geldig, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot vervallen- of nietigverklaring wordt bestreden.”

5.3. Dit betoog faalt evenwel, nu genoemde bepaling niet van toepassing is op de procedure in kort geding, waarin voor de gedaagde immers niet de mogelijkheid bestaat om een reconventionele vordering in te stellen die strekt tot een -definitievemaatregel als vervallen- of nietigverklaring van het Gemeenschapsmerk.

5.4. Dat neemt niet weg dat er aanleiding is bij wege van analogie van bedoelde bepaling in een procedure in kort geding het Gemeenschapsmerk in elk geval voor geldig te houden, indien niet blijkt dat in enige reeds aanhangige bodem( inbreuk)procedure de geldigheid van dat merk onderwerp is van een eis in reconventie dan wel bij het OHIM een vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring van het Gemeenschapsmerk als bedoeld in artikel 55 van de Gemeenschapsmerkenverordening is ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat één van voormelde situaties zich voordoet, hetgeen met zich brengt dat het beroep van Hering op nietigheid van het Gemeenschapsmerk moet worden gepasseerd."

Lees hier het vonnis.

IEF 1521

Een woord toe te voegen

Sector kanton Rechtbank Maastricht, 20 januari 2006, LJN: AV0010. EBM Event Staffing B.V. tegen Events Consultancy Maastricht V.O.F., mede h.o.d.n. ECM Security en ECM Event Supply. Verzoek tot wijziging handelsnaam. De kantonrechter is ten aanzien van het merkenrecht niet bevoegd, geeft wel een aantal suggesties voor een nieuwe handelsnaam.

EBM heeft ingevolge artikel 6 Hnw de kantonrechter verzocht een wijziging aan te brengen in verweerders handelsnamen met de letters ECM. Partijen zijn sedert september 2003 op exact dezelfde markt - zowel territoriaal als inhoudelijk - actief. Zij bieden beiden particuliere beveiliging en facilitaire voorzieningen voor evenementen aan; ECM heeft inmiddels een vergunning in de zin van de WPBR en is gelijk EBM beveiligingswerkzaamheden gaan uitvoeren. Partijen worden door het publiek, mede gelet op de voormalige samenwerking tussen partijen, alsmede gelet op hun grotendeels gelijkluidende handelsnamen, herhaaldelijk ten onrechte aan elkaar gelinkt dan wel per abuis voor de andere partij aangezien. ECM heeft volgens EBM bewust meegewerkt aan de ontstane naamsverwarring bij het publiek.

ECM heeft allereerst gesteld dat zij sinds 2 juni 2005 exclusief rechthebbende is van het woord- / beeldmerk ECM. Volgens ECM is dan ook tussen partijen niet alleen sprake van een geschil betreffende handelsnaam - handelsnaam, maar ook betreffende handelsnaam - merknaam. Ten aanzien van het merkenrecht is de kantonrechter echter niet bevoegd. Het had volgens ECM dan ook voor de hand gelegen dat EBM onderhavige zaak bij de rechtbank / voorzieningenrechter aanhangig had gemaakt.

De kantonrechter overweegt allereerst ten aanzien van het beroep van verweerders op rechtsverwerking dat het enkele tijdsverloop - ECM is reeds gevestigd op 1 juli 1997 - onvoldoende redengevend is voor het aannemen van rechtsverwerking. ECM is weliswaar gedurende een aantal jaren gedoogd door EBM, maar dat maakt niet dat EBM het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt bij ECM dat zij akkoord zou gaan met het voeren door partijen van gelijkluidende handelsnamen bij een gewijzigde marktpositie van partijen. Tussen partijen is immers tot eind 2003 geen sprake geweest van een elkaar op de markt beconcurrerende positie.

Ten aanzien van de door verweerders in deze procedure genoemde jurisprudentie overweegt de rechtbank dat in die zaken een verjaringstermijn van twintig jaren speelde. Van een dergelijke verjaringstermijn is in deze zaak geen sprake.

Rest vervolgens de vraag of door het voeren van de jongere handelsnamen door verweerders met de letters ECM verwarring met de ondernemingen van verzoeksters is te duchten. De kantonrechter overweegt dienaangaande dat EBM voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij het publiek ten aanzien van partijen, bekend als respectievelijk EBM en ECM, naamsverwarring is te duchten en dat een dergelijke naamsverwarring bij (potentiële) klanten van partijen ook reeds heeft plaatsgevonden. Niet alleen wijken verweerders handelsnamen met de letters ECM slechts in geringe mate af van de handelsnamen van verzoeksters, partijen zijn bovendien gelijksoortige bedrijven die in dezelfde regio, op dezelfde markt actief zijn. Waarbij als bijkomende factor een rol speelt dat [vennoot 1 ECM] van ECM jarenlang het gezicht van EBM is geweest.

Dat sprake zou zijn geweest van het door ECM te kwader trouw voeren van genoemde handelsnamen kan in deze procedure niet worden vastgesteld en ligt vooralsnog niet voor de hand nu partijen in het tijdsbestek van 1997 tot eind 2003 hebben samengewerkt en partijen eind 2003 vooralsnog geen aanleiding hebben gezien om wijzigingen in hun handelsnamen aan te brengen. In de periode van 1997 tot eind 2003 waren partijen door hun samenwerkingsverband aan elkaar gekoppeld en konden zij zich bovendien van elkaar onderscheiden door hun niet (geheel) overeenkomende bedrijfsactiviteiten. Een eventuele naamsverwarring bij het publiek kon in dat tijdsbestek door partijen gemakkelijk worden recht getrokken, zonder voor partijen financieel nadelige gevolgen.

Doordat partijen hun samenwerking hebben verbroken en als concurrenten op de evenementenmarkt tegenover elkaar zijn komen te staan - ECM is door het gaan verrichten van beveiligingsactiviteiten een volwaardige concurrent van EBM geworden - dient aan de (te duchten) naamsverwarring tussen partijen een ander gewicht te worden toegekend. Door de ontstane concurrentiepositie is immers voor EBM van essentieel belang geworden dat zij zich naar buiten toe van ECM kan onderscheiden, waarbij zij niet langer het risico loopt om te worden geassocieerd met [vennoot 1 ECM].

Gelet op het vorenoverwogene komt het verzoek van verzoeksters van 4 november 2005 voor toewijzing in aanmerking, waarbij door de kantonrechter nog wordt overwogen dat de naamsverwarring tussen partijen, met name in het spraakgebruik, kan worden weggenomen door aan ECM een woord toe te voegen. Bijvoorbeeld: ECM-Hakra, ECM-Hakra group, ECM-Hakra Security, ECM-Hakra Advertising en ECM-Hakra Event Supply, h.o.d.n. ECM-Hakra. Verweerders lopen dan niet het risico hun inmiddels opgebouwde naamsbekendheid en eigen identiteit volledig kwijt te raken. In ieder geval wordt verweerders verboden om de handelsnamen ECM, ECM group, ECM Security, ECM Advertising en ECM Event Supply te voeren zonder een aan ECM gekoppeld woord, dan wel dienen verweerders hun handelsnamen volledig te wijzigen. Lees het vonnis hier.

IEF 1463

De Italiaanse architect

Gerechtshof Arnhem, 13 december 2005, LJN: AU9155. Palladio Groep B.V tegen Palladio Grafisch & Logistiek Management B.V. Eenvoudig handelsnaamgeschil.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of Palladio erop aanspraak kan maken dat PGLM de aanduiding “Palladio” uit haar handelsnaam verwijdert. Met haar grieven bestrijdt Palladio het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij op die verwijdering geen aanspraak kan maken, omdat, kort weergegeven, tussen de ondernemingen van partijen, gelet op hun aard en plaats van vestiging, geen gevaar voor verwarring te duchten is. Hof is het eens met de voorzieningenrechter.

Tussen partijen staat vast dat zij niet dezelfde activiteiten verrichten. Van de vennootschappen die van Palladio deel uitmaken, richt Palladio Organisatieontwikkeling B.V. zich op het verstrekken van strategische adviezen en het begeleiden van bedrijven ter verbetering van hun bedrijfsvoering en houdt Palladio Interimmanagement B.V. zich bezig met management op interimbasis. PGLM heeft als hoofdtaak het verzorgen van drukwerk. De omstandigheid dat Palladio opdrachtgevers zou kunnen adviseren hun drukwerk uit te besteden, brengt niet mee dat daarmee ten aanzien van de aard van de ondernemingen van partijen gevaar voor verwarring is te duchten.

Verder hebben beide partijen vrijwel uitsluitend professionele opdrachtgevers in de vorm van grotere en kleinere bedrijven en bij Palladio ook overheidsinstellingen, zoals uit de door haar overgelegde brochure Facility management & inkoop blijkt. Dat betekent dat van het relevante publiek een groter onderscheidend vermogen mag worden verwacht dan van het op normale wijze – dus niet goed – oplettend en onderscheidend publiek.

Ook als partijen in een enkel geval dezelfde opdrachtgever zouden hebben – maar dat is gesteld noch gebleken –, zal bij deze ten aanzien van de identiteit van zijn dienstverlener dan ook geen gevaar voor verwarring te duchten zijn. Hieraan doet niet af dat één klant van Palladio naar aanleiding van een wervingsbrief van PGLM bij Palladio naar het mogelijke verband tussen partijen zou hebben geïnformeerd, nu dit om een enkel en overigens niet nader toegelicht incident gaat.

De naam Palladio wordt door Nederlandse ondernemingen van zeer verschillende aard gebruikt, zowel als handelsnaam als in de vorm van een merknaam. Bij Palladio noch PGLM is deze naam in zoverre onderscheidend dat de daarmee beoogde verwijzing naar de Italiaanse architect uit de zestiende eeuw ook een associatie wekt met de door partijen geleverde diensten en producten.

Hetzelfde geldt voor het gebruik van de naam (Villa) Rotonda, die bovendien, naar algemeen bekend is, onlosmakelijk met Andrea Palladio is verbonden. Voorts bestaat tussen partijen in die zin verschil dat PGLM de Villa Rotonda in haar logo heeft opgenomen en dat Palladio Rotonda en Rotonda Mediation als handelsnamen gebruikt. Anders dan Palladio stelt, wordt het verwarringsgevaar door die verschillende vormen van gebruik eerder verkleind dan vergroot.

Bovenstaande omstandigheden leiden voorshands tot de conclusie dat ten aanzien van de aard van de ondernemingen van partijen geen gevaar voor verwarring te duchten is. Dit geldt ook met betrekking tot hun plaats van vestiging, nu de ondernemingen van beide partijen landelijk opereren en hun plaats van vestiging met betrekking tot het mogelijke verwarringsgevaar geen rol speelt.

Ten slotte stelt Palladio dat bij de beoordeling van de aanwezigheid van verwarringsgevaar in aanmerking moet worden genomen dat de website van PGLM grote gelijkenissen met die van haar vertoont, onder meer door de inrichting en het gebruik van enkele identieke zinnen. Deze stelling dient te worden verworpen, omdat de inrichting van beide websites zodanig voor de hand ligt en aansluit bij vele andere websites dat ook ten aanzien daarvan geen gevaar voor verwarring te duchten is.

Lees het arrest hier.

IEF 1282

Stond er al op Auto/ Camping/ Sport

Hof Den Bosch, 7 november 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl op 24 november 2005, LJN AU6784, Auto-campingsport Deurne B.V. tegen E. (geanonimiseerd) Auto/ Camping/ Sport v.o.f. Handelsnaamrecht.

Een handelsnaamgeschil tussen twee ondernemingen die handelen in auto-onderdelen/ camping-benodigdheden en sportartikelen (en dat alles, volgens het Hof "in de ruimste zin"). Het hoofdbestanddeel van beide handelsnamen bestaat uit de woorden "auto camping sport" en wel op exact die volgorde. De ondernemingen (winkels) zijn 800 meter van elkaar verwijderd.

Gedaagde beweert dat toevoeging van de woorden "auto camping sport" (voor of achter de naam van de ondernemer of de naam van de plaats waar de onderneming gevestigd is) de handelswaar aanduidt en vergelijkbaar is met de toevoeging van de woorden "bakker" of "slager" in een handelsnaam.

Verwarringsgevaar wordt aangenomen omdat de toe of achtervoeging van de woorden "auto camping sport" niet vergelijkbaar is met het gebruik van de woorden "bakker" of "slager". Er zijn  immers vele soortgelijke zaken die zich niet bedienen van deze specifieke combinatie. gedaagde wordt verboden deze specifieke combinatie van woorden in zijn handelsnaam te gebruiken, maar kan niet worden verboden om ten minste één van de woorden in combinatie met andere woorden in zijn handelsnaam te gebruiken. Volledige uitspraak hier.

IEF 1281

Aantal hits

Rechtbank Haarlem, 29 november 2005, rolnr. HA ZA 05-536, LJN: AU7042 Aviation Technics B.V. tegen Technical Service 767 B.V. De handelsnaam Aviation Technics voor vliegtuig-onderhoudsbedrijven is niet beschrijvend.

Aviation Technics drijft sinds 21 augustus 1984 een onderneming onder die handelsnaam voor kort gezegd vliegtuigonderhoudsbedrijven. Op grond van deze handelsnaam komt zij met succes in kort geding op tegen Technical Service. Dit bedrijf voert sinds 1 april 2005 de handelsnaam Stella Aviation Technics voor haar onderneming met de bedrijfsomschrijving: onderhoud, reparatie en wijziging van luchtvaartuigen en de training van luchtvaartpersoneel, evenals de groothandel in onderdelen van luchtvaartuigen.

De voorzieningrechter vindt de handelsnaam niet beschrijvend. “Voorop gesteld dient te worden dat zuiver beschrijvende elementen in een naam niet door middel van handelsnamen mogen worden gemonopoliseerd. Hoewel de woorden ‘aviation’ en ‘technics’ in het Nederlands vertaald, ‘luchtvaart’ en ‘techniek’, op zichzelf beschrijvend zijn, is uit de overgelegde producties onvoldoende aannemelijk geworden dat de aanduiding ‘aviation technics’ voor vliegtuigonderhoudsbedrijven is ingeburgerd als gebruikelijke aanduiding die geen onderscheidend vermogen meer bezit voor het in aanmerking komend publiek. Het gebruik van de Engelse taal in de luchtvaartbranche brengt nog niet met zich mee dat de woorden ‘aviation technics’ als aanduiding van de soort activiteiten die een onderneming uitvoert tot een algemeen gangbare woordcombinatie is geworden, die ook door andere ondernemingen in hun handelsnaam mag worden opgenomen.”

Terecht merkt de voorzieningenrechter op dat de door Technical Service overgelegde uitdraaien van de zoekmachine “Google” niet kunnen leiden tot de conclusie dat de naam “AVIATION TECHNICS” beschrijvend is, omdat de resultaten zijn bepaald door de wijze van zoeken.

Het betoog van Technical Service dat er geen sprake zou zijn van verwarring faalt. Stella Aviation Technics is ook bevoegd ten aanzien van vliegtuigen onder de 5.700 kg en Aviation Technics kan op eenvoudige wijze een certificaat voor boven de 5.700 kg verkrijgen. Nu drie keer een leverancier, deskundig publiek,  beide ondernemingen door elkaar heeft gehaald, waarbij zelfs een keer een vliegtuigmotor verkeerd werd bezorgd, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat er sprake is van verwarring bij het publiek. Technical Service is verboden de handelsnaam AVIATION TECHNICS in haar handelsnaam te gebruiken. Lees het vonnis hier.

IEF 1278

Wijzigingen (2)

Nog even een paar extra documenten, inclusief de begeleidende briefjes, m.b.t de implementatiewetgeving Handhavingsrichtlijn (zie twee berichten hieronder), via de website van Justitie: 

- "Hoi Nicole,  Hierbij, zoals afgesproken, het commentaar van mevrouw Fasseur op het wetsvoorstel IE. Groeten Dorien" (hier)

- "Nicole, Dank voor je reactie. Inmiddels kreeg ik van een lid van de Adviescommissie nog nadere opmerkingen over het voorstel. De Adviescommissie als geheel heeft er niet meer naar kunnen kijken, maar er lijken ook geen bezwaren tegen te bestaan. Daarom neem ik - gezien de tijdsdruk - de vrijheid om dit je op deze wijze informeel toe te sturen. Met vriendelijke groet, Adrienne Hoevers, Nederlandse Orde van Advocaten (hier)

- Nader rapport, Ministerie van Justitie (hier)
- Advies Raad van State, Ministerie van Justitie (hier)
- Advies Raad voor de Rechtspraak, Ministerie van Justitie (hier)
- Advies van Adviescommissie Intellectuele eigendom NOvA o.l.v. Mr W.A. Hoyng (hier)

IEF 1276

Belangrijke en interessante wijzigingen

Op donderdag 24 november jl. is het wetsvoorstel tot implementatie van de Europese richtlijn m.b.t. de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar dit wetsvoorstel werd reikhalzend uitgezien omdat de betreffende richtlijn betrekkelijk veel ruimte laat aan de nationale wetgevers.

Brengt het wetsvoorstel interessant nieuws? Ja.

De belangrijkste en interessantste wijzigingen zijn:

a) Er komen uitgebreidere mogelijkheden voor het leggen van bewijsbeslag (art 1019 a-d Rv).
b) Er komt een Einstweilige Verfügung: (een verbod in) kort geding zonder dat de gedaagde wordt gehoord (art. 1019e) (maar dan moet er wel sprake zijn van dreigende onherstelbare schade).
c) Er komt een verruimde mogelijkheid voor veroordeling in proceskosten in IE-zaken (art. 1019h)

Daarnaast wordt het noemen van de voorman en het verschaffen van andere informatie over het distributie-kanaal gecodificeerd (art. 1019f). verder worden er in de Auteurswet, de WNR en Databankenwet enkele wijzigingen ingevoerd ter zake van (kort gezegd) ‘vermoeden van makerschap’ en ten aanzien van beslagmogelijkheden. In Landbouwkwaliteitswet (!?) worden enkele procedures inzake geografische benamingen vastgelegd.

“Uitkristalliseren en naar bevind van zaken handelen”

Het meest fascinerend is op het eerste gezicht het voorgestelde art. 1019h Rv dat ruimere proceskostenveroordelingen in IE-zaken mogelijk maakt. Dit kan heel interessant worden, maar is volledig afhankelijk van hoe de rechterlijke macht dit gaat invullen. In de MvT staat te lezen dat één en ander zich opnieuw moet uitkristalliseren en dat de rechter “naar bevind van zaken [moet] handelen”. Let op: ook eisers/rechthebbenden kunnen in ruimere proceskosten worden veroordeeld.

Artikel 1019h Rv luidt als volgt:

“Voor zover nodig in afwijking van de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste Boek en in afwijking van artikel 843a, eerste lid, wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet”.

Memorie van Toelichting:

Artikel 14 van de richtlijn verplicht tot een ruime proceskostenveroordeling van de verliezende partij. In het Nederlandse civiele procesrecht wordt thans uitgegaan van forfaitaire kostenveroordeling, gebaseerd op vaste tarieven (artikel 239 Rv en de Wet tarieven in burgerlijke zaken). Daarnaast voorziet artikel 6:96 BW in schadevergoeding voor de redelijke kosten tot verkrijging van voldoening buiten rechte.

De proceskostenveroordeling zal zich onder het nieuwe regime in intellectuele-eigendomsinbreukzaken opnieuw moeten uitkristalliseren. De rechter zal moeten komen tot een veroordeling in evenredige kosten, te toetsen aan de redelijkheid en billijkheid. Deze billijkheid zal bijvoorbeeld meespelen bij de proceskostenveroordeling van een inbreukmaker te goeder trouw. Beperking van de proceskostenveroordeling tot hetgeen onder het huidige recht gebruikelijk is, ligt dan meer voor de hand dan een volledige kostenveroordeling.

Deze laatste ligt vooral in de rede wanneer het gaat om grootschalige namaak of piraterij. Voor de inbreuken die daartussen liggen, zal de rechter naar verwachting naar bevind van zaken handelen en beoordelen wat redelijke en evenredige kosten zijn die door de verliezende partij dienen te worden gedragen. Door de formulering van de aanhef van het artikel - voor zover nodig in afwijking van de artikelen 237 e.v. - wordt aangegeven dat in situaties waarin de forfaitaire kostenveroordeling meer op zou leveren dan de werkelijk gemaakte kosten, de forfaitaire kostenveroordeling voorgaat.

Prof. mr Dirk J.G. Visser

Voorstel van wet

Memorie van Toelichting

IEF 1267

Nog meer rechtspraak

Gerechtshof Amsterdam, 15 september 2005, LJN: AU6843. Technos B.V tegen [X], handelend onder de naam [X] Telecom. Databankenrecht.

“Immers, al aangenomen dat Technos een databankrecht heeft verkregen met betrekking tot het bestand van de gegevens van de door haar aangebrachte klanten, voordat zij die gegevens aan ICC doorgaf, en zelfs dat zij dit recht behield met betrekking tot het gegevensbestand dat zij bewaarde nadat zij de klanten bij ICC had aangebracht, Technos maakt niet duidelijk hoe dit recht zich nog zou kunnen uitstrekken over het geheel van de van Technos afkomstige gegevens die in het klantenbestand van ICC waren opgenomen. Zelfs als het geheel van de van Technos afkomstige gegevens als aparte databank binnen het klantenbestand van ICC zou kunnen worden onderscheiden, valt nog niet in te zien hoe Technos ten aanzien van die aparte databank als gerechtigde zou kunnen gelden. Technos stelt geen feiten die aanleiding geven tot de gevolgtrekking dat zij als gerechtigde met betrekking tot een zodanige aparte databank kan worden aangemerkt. Ten slotte is er, bij gebreke van toereikende feitelijke stelling, ook geen aanleiding om aan te nemen dat Technos mede-databankgerechtigde, laat staan algeheel databankgerechtigde, is geworden met betrekking tot het gehele klantenbestand van ICC.” Lees arrest hier.

Rechtbank Haarlem, 24 november 2005, LJN: AU6845. KPN Telecom B.V tegen Pretium Telecom B.V. Misleidende vergelijkende reclame door Pretium.

"Bij vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Haarlem d.d. 25 november 2005 zijn wij veroordeeld om u langs deze weg op de hoogte te stellen van het navolgende.

Op vordering van KPN is ons met onmiddellijke ingang verboden om nog langer mede te delen of te suggereren dat u bij Pretium altijd tegen de laagste kosten belt. Dit soort uitingen is misleidend. In werkelijkheid hangt het namelijk in belangrijke mate af van het belgedrag van individuele consumenten of zij bij de ene of bij de andere aanbieder goedkoper uit zijn.

Ook mogen wij niet langer met de Pretium Garantie Voice de suggestie wekken dat Pretium altijd de goedkoopste zou zijn. Dit onder meer omdat wij ten onrechte stelden dat wij u dubbel het verschil zouden uitbetalen wanneer u bij een andere aanbieder lagere telefoonkosten per maand zou hebben gehad, terwijl wij in werkelijkheid in die vergelijking de voordeelregelingen van andere aanbieders, zoals VoordeelNummers en BelPlus van KPN, buiten beschouwing lieten. De rechter heeft geoordeeld dat wij u hiermee hebben misleid.

Pretium Telecom B.V."

Vordering van Pretium tot schorsing van de executie van een eerder vonnis, waarbij het haar werd verboden mededelingen te doen die een absolute prioriteitsclaim inzake kosten inhouden, wordt afgewezen omdat is vastgesteld dat Pretium in strijd met dat eerdere vonnis heeft gehandeld.  Lees vonnis hier.


Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 november 2005,  LJN: AU6784. Auto-campingsport deurne B.V. tegen E. Auto/camping/sport v.o.f.

4.3.4. De drie woorden op zichzelf genomen hebben geen specifieke betekenis. Zo kan bij 'auto' gedacht worden aan autoaccessoires, maar ook aan autohandel, speelgoed, verhuur enz. Bij camping zal de eerste gedachte gaan naar een plaats waar gekampeerd kan worden. Bij sport aan een plaats waar gesport kan worden. In alle drie de gevallen zal een winkel zich bedienen van een handelsnaam waarin het woord auto of camping of sport staat in combinatie met het woord artikelen of materialen of iets dergelijks, zoals automaterialen, campingartikelen of sportkleding enz. Zonder deze nadere aanduiding en dan drie woorden tegelijk en dat in een bepaalde volgorde is, zoals ook blijkt uit het handelsregister zodanig uniek dat het gebruik door twee vrijwel naast elkaar gelegen ondernemingen tot verwarring bij het publiek aanleiding kan en zal geven.

4.3.5. Aan vorenstaand geconstateerd verwarringsgevaar kan niet afdoen dat de hier bedoelde (drie) onderdelen van de naam elk voor zich weinig onderscheidend zijn en op zichzelf genomen niet tot zodanige verwarring kunnen leiden, in samenhang met de overige woorden van de handelsnaam, dat in die gevallen anders geoordeeld moet worden.

4.3.6. Van een monopoliseren, dat wil zeggen van een gebruik dat een andere onderneming ongerechtvaardigd belemmerd in het vinden en kunnen gebruiken van een handelsnaam die bij haar activiteiten past, is geen sprake, getuige het feit dat er in Nederland tal van winkels zijn die dezelfde activiteiten ontplooien maar zich niet van hier bedoelde combinatie bedienen.

4.4. De conclusie is dan dat de grieven in het principaal appel slagen en dat [Y.] een handelsnaam voert die in strijd komt met het verbod van artikel 5 Hnw.

4.4.1. [X.] verzoekt [Y.] te bevelen haar handelsnaam zodanig te wijzigen dat daarin niet meer voorkomt het woord/ de woorden 'auto', 'camping', of 'sport' noch woorden/letterverbindingen die daarmee in hoofdzaak overeenstemmen. Dit verzoek gaat te ver. [Y.] kan niet worden verboden om tenminste één van de drie gewraakte woorden in haar naam te voeren, zeker niet in combinatie met andere woorden, zoals de woorden automaterialen, campingartikelen, sportkleding enz. In het verbod ligt de verplichting besloten voor [Y.] om haar handelsnaam te wijzigen.

4.4.2. Het is niet aan het hof om reeds thans specifiek vast te stellen welke nieuwe handelsnaam verboden of toelaatbaar zal zijn. Het is aan [Y.] om eerst zelf een nieuwe naam aan te nemen. Het hof kan hier wel aan toevoegen dat een naam waarin een andere volgorde van de drie gewraakte woorden wordt gebruikt (bijvoorbeeld camping/sport/auto), niet toelaatbaar zal zijn. Dit zal in het algemeen ook het geval kunnen zijn bij het gebruik van twee van de drie woorden met of zonder verdere toevoegingen (bijvoorbeeld camping/sport of '[Y.] automaterialen en sportartikelen'). Daarbij komt dat de gevorderde dwangsom alleen toewijsbaar is ten aanzien van eenduidig bepaalbare handelsnamen. Lees arrest hier.