Handelsnaamrecht

IEF 629

onvoldoende feiten

Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2005. Smiers tegen Endemol. Smiers beschuldigde Endemol van inbreuk op zijn auteursrecht, handelsnaamrecht, merkrecht en 'éénlijnsprestatie-recht' in de vorm van het programma Starmaker. Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt het afwijzende vonnis van de rechtbank:

"Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in dit geding onvoldoende feiten zijn gebleken die de slotsom wettigen dat het idee dat Smiers omschrijft als "Het maken en volgen van een amateur van begin tot ster" (...) - daargelaten of dit een origineel idee is en of het Smiers is die dit idee heeft bedacht - op zodanige wijze tot een concept dan wel format of televisieprogramma is uitgewerkt dat het voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt".

Lees vonnis. Als advocaat voor Endemol traden op Adonna Alkema en Dirk Visser van KMVS (voor wie net zo vaak genoemd wilt worden als Klos, Morel, Vos & Schaap: mail uitspraken en berichten, dan gaat het verder vanzelf).

IEF 193

Verklaring van de commissie

Betreffende artikel 2 van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (2005/295/EG).

De Commissie is van oordeel dat ten minste de volgende intellectuele-eigendomsrechten onder het toepassingsgebied
van de richtlijn vallen:

— auteursrechten,
— naburige rechten van het auteursrecht,
— het recht sui generis van de maker van een databank,
— de rechten van de maker van topografieën van halfgeleiderproducten,
— merkenrechten,
— rechten op tekeningen of modellen,
— octrooirechten, met inbegrip van de rechten afgeleid van aanvullende beschermingscertificaten,
— geografische aanduidingen,
— rechten op gebruiksmodellen,
— kwekersrechten,
— handelsnamen, voorzover deze in het betrokken nationale recht als uitsluitende eigendomsrechten
worden beschermd.

NL 13.4.2005 Publicatieblad van de Europese Unie L 94/37

IEF 167

Zwakke wind

Rechtbank Almelo, 31 maart 2005, LJN: AT3158, 69888 / KG ZA 05-80., kort geding Oostenwind tegen Nieuwe Wind. Handelsnaamrecht.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in de handelsnamen Oostenwind en Nieuwe Wind het kenmerkende bestanddeel ”wind”. De voorzieningenrechter acht dit bestanddeel voorshands zwak onderscheidend, nu blijkens het door gedaagden overgelegde overzicht uit de telefoongids “wind” een gebruikelijk begrip in de communicatie – en grafisch ontwerpsector is. Zo vermeldt de telefoongids onder meer Westenwind Ontwerp, Noordenwind Grafisch Ontwerpbureau en Frissewind Visuele Communicatie.

Aangezien het bestanddeel “wind” naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zwak onderscheidend vermogen heeft, dienen de handelsnamen voor het overige een nogal grote gelijkenis te vertonen, wil er verwarringsgevaar te duchten zijn.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit niet het geval is. De handelsnamen Oostenwind en Nieuwe Wind verschillen zowel visueel, auditief en begripsmatig van elkaar. Het bestanddeel Oosten is een geografische aanduiding, terwijl met Nieuwe volgens gedaagden wordt benadrukt dat er sprake is van vernieuwing.

Daarbij komt dat zowel Oostenwind als Nieuwe Wind uitsluitend zaken doen met bedrijven uit het midden- en klein bedrijf en lokale overheden, zijnde professionele klanten, en dat zij in verschillende plaatsen zijn gevestigd. Gelet hierop acht de voorzieningrechter, ondanks het feit dat partijen (deels) in dezelfde sector werkzaam zijn en zij op slechts tien kilometer van elkaar gevestigd zijn, niet aannemelijk geworden dat direct of indirect verwarringsgevaar tussen de ondernemingen is te duchten.

Nu niet aannemelijk is geworden dat op grond van op elkaar gelijkende handelsnamen verwarringsgevaar tussen beide ondernemingen valt te duchten is tevens geen sprake van een merkdepot te kwader trouw. Lees vonnis.

IEF 73

Nieuwe wetbundels voor Rechtbank Zwolle?

In een vonnis inzake een inbreuk op een handelsnaam en merkrecht van de onderneming Protect Eye door een oud-werknemer doet Rechtbank Zwolle een opmerkelijke uitspraak. 

In rechtsoverweging 3.6.3 overweegt de rechtbank “dat gedaagde heeft betwist dat hij inbreuk maakt op een merkrecht van Protect Eye. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zijn naam niet gebruikt in het economisch verkeer.”. Volgens de rechtbank treft dit verweer doel, aangezien “voor een succesvol beroep op artikel 13A lid 1 aanhef en onder d BMW dient vast te staan dat er sprake is van gebruik in het economisch verkeer. Volgens vaste rechtspraak is daarvan sprake wanneer het gebruik van merk of teken plaatsvindt, anders dan met een uitsluitend wetenschappelijk doel in het kader van een bedrijf, van een beroep of enige andere niet in de particuliere sfeer verrichte activiteit, waarmee economisch voordeel wordt beoogd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is commercieel gebruik van de site of gebruik waarbij enig economisch voordeel wordt beoogd niet aannemelijk geworden. Het beroep van Protect Eye op artikel 13A lid 1 aanhef en onder d BMW gaat derhalve alleen om deze reden al niet op.”

Deze uitspraak van 22 september 2004 is op zijn minst opmerkelijk te noemen, aangezien het begrip “in het economisch” verkeer reeds sinds 1 januari 2004 niet meer terug te vinden is in artikel 13A lid 1 sub d BMW. Zo zie je maar, nooit bezuinigen op wetteksten. (voor de volledige uitspraak zie: LJN: AS5108, Rb. Zwolle, 100304 / KG ZA 04-358)

IEF 72

Handelsnaamrecht

Interessante uitspraak over 'licentie' van een handelsnaam. Een Amerikaanse onderneming geeft via haar Nederlandse dochter een bepaalde glaspolijsttechniek in licentie aan twee Nederlandse bedrijven, waarbij de één de techniek exclusief mag gebruiken in Noord-Nederland en de ander het exclusieve recht verkrijgt voor Zuid-Nederland (of dit mededingingsrechtelijk in de haak is wordt in het vonnis niet besproken).

De Noord-Nederlandse licentienemer gebruikt de handelsnaam 'Glasrenovatie Nederland' en 'licentieert' deze naam aan de Zuid-Nederlandse licentienemer. Na een paar jaar wordt de licentieovereenkomst tussen de Amerikaan en de beide Nederlandse bedrijven zo gewijzigd, dat beide niet-exclusieve licentienemers voor heel Nederland worden.

Probleem is uiteraard  dat beide ondernemingen nog steeds dezelfde naam hanteren, maar intussen concurrenten van elkaar geworden zijn...

De Noord-Nederlander ontbindt daarop de handelsnaamlicentie-overeenkomst en sommeert de Zuid-Nederlander het gebruik van de handelsnaam te staken.

De Voorzieningenrechter in Arnhem meent echter dat de licentieovereenkomst (die overigens geen opzegtermijn bevatte) niet zonder meer opgezegd kan worden, aangezien de Zuid-Nederlander inmiddels gedurende de licentie de nodige bekendheid en reputatie bij haar klanten en relaties heeft opgebouwd onder de naam Glasrenovatie Nederland; onmiddellijke wijziging van de handelsnaam zou de Zuid-Nederlander veel schade berokkenen.

De Voorzieningenrechter wijst de vordering van de Noord-Nederlander daarom af, en geeft hem mee dat hij alleen tegen financiele vergoeding de Zuid-Nederlander kan dwingen het handelsnaamgebruik te staken.

Lees hier het gehele vonnis.