IEF 622

Langs andere wegen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5-7-2005, LJN: AT8830, X B.V. - Dutch Reverse Pulse Plating

Voer voor procestijgers. DRPP krijgt verlof en legt conservatoir beslag op alle IE-rechten en knowhow betreffende de 'Rectifier'. De rechter hangt er echter de voorwaarde aan dat, gezien het feit dat het gaat om gevoelige bedrijfsinformatie, slechts de deurwaarder, en niet DRPP inzicht mag krijgen in de beslagen documenten. Hoewel art. 700 lid 2 het niet toestaat, stelt X hoger beroep in tegen het beslagverlof met een beroep op de 'leer van de doorbreking van het appelverbod'. Zulks onder meer omdat de verlofrechter art. 709 niet juist zou hebben toegepast.

Het Hof maakt korte metten met het 'appel'.
6.1. Een beroep op het leerstuk van de doorbreking van het appelverbod kan eerst aan de orde komen in die gevallen waarin de wetgever hogere voorziening heeft uitgesloten ten einde iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheden heeft gebruik gemaakt (HR 29 maart 1985, NJ 1986/242, ENKA/Dupont). In die gevallen waarin de klachten - die aanleiding zouden kunnen geven tot doorbreking van het appelverbod - langs een afzonderlijke weg aan een rechter ten toets kunnen worden voorgelegd, met als resultaat dat de gevolgen van de gewraakte beslissing teniet kunnen worden gedaan, dient deze afzonderlijke weg te worden gevolgd. Er bestaat dan immers geen noodzaak voor appel tegen de gewraakte beschikking, noch een zelfstandig belang bij vernietiging. Van de hier bedoelde situatie is sprake, terwijl X deze andere weg ook bewandelt.

X heeft dus genoeg mogelijkheden om tegen het conservatoir beslag op te komen en moet die mogelijkheden eerst maar benutten.

Het Het hof laat terzijde of de leer van de doorbreking van het appelverbod opgaat in die gevallen dat - anders dan hier - artikel 705 Rv geen toepassing kan vinden.

Lees hier vonnis
IEF 622

Langs andere wegen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5-7-2005, LJN: AT8830, X B.V. - Dutch Reverse Pulse Plating

Voer voor procestijgers. DRPP krijgt verlof en legt conservatoir beslag op alle IE-rechten en knowhow betreffende de 'Rectifier'. De rechter hangt er echter de voorwaarde aan dat, gezien het feit dat het gaat om gevoelige bedrijfsinformatie, slechts de deurwaarder, en niet DRPP inzicht mag krijgen in de beslagen documenten. Hoewel art. 700 lid 2 het niet toestaat, stelt X hoger beroep in tegen het beslagverlof met een beroep op de 'leer van de doorbreking van het appelverbod'. Zulks onder meer omdat de verlofrechter art. 709 niet juist zou hebben toegepast.

Het Hof maakt korte metten met het 'appel'.
6.1. Een beroep op het leerstuk van de doorbreking van het appelverbod kan eerst aan de orde komen in die gevallen waarin de wetgever hogere voorziening heeft uitgesloten ten einde iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheden heeft gebruik gemaakt (HR 29 maart 1985, NJ 1986/242, ENKA/Dupont). In die gevallen waarin de klachten - die aanleiding zouden kunnen geven tot doorbreking van het appelverbod - langs een afzonderlijke weg aan een rechter ten toets kunnen worden voorgelegd, met als resultaat dat de gevolgen van de gewraakte beslissing teniet kunnen worden gedaan, dient deze afzonderlijke weg te worden gevolgd. Er bestaat dan immers geen noodzaak voor appel tegen de gewraakte beschikking, noch een zelfstandig belang bij vernietiging. Van de hier bedoelde situatie is sprake, terwijl X deze andere weg ook bewandelt.

X heeft dus genoeg mogelijkheden om tegen het conservatoir beslag op te komen en moet die mogelijkheden eerst maar benutten.

Het Het hof laat terzijde of de leer van de doorbreking van het appelverbod opgaat in die gevallen dat - anders dan hier - artikel 705 Rv geen toepassing kan vinden.

Lees hier vonnis
IEF 621

uitgebreid instrumentarium

Persbericht van de Ministerraad: "Verruiming van de regels voor de strijd tegen namaak en piraterij.  De ministerraad is akkoord gegaan met een wetsvoorstel van minister Donner van Justitie en minister Veerman van LNV, mede namens staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken, dat de bestrijding van namaak en piraterij zal verbeteren.

Het wetvoorstel implementeert een EG-richtlijn die de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten harmoniseert, zodat inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten in het algemeen en grootschalige namaak (counterfeit) en piraterij in het bijzonder effectiever kunnen worden bestreden.


Onder intellectuele eigendomsrechten vallen rechten zoals auteursrecht, octrooirecht, merkenrecht en kwekersrecht. Inbreuken op deze rechten hebben steeds vaker een grensoverschrijdend karakter. Verschillen in nationale handhavingsregelingen zijn schadelijk voor de interne markt en bemoeilijken een doeltreffende bestrijding van inbreuk. Inbreukmakers maken gebruik van die verschillen door hun activiteiten te richten op landen waar de bestrijding ervan het minst doeltreffend is. Maar ook de economie heeft te lijden onder inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten. Zij hinderen investeringen, innovatie en creativiteit en doen afbreuk aan het vertrouwen van het bedrijfsleven in de interne markt. De richtlijn richt zich op procedures tot handhaving van die rechten voor de burgerlijk rechter.

De huidige Nederlandse wetgeving biedt de rechthebbende reeds een uitgebreid en doeltreffend instrumentarium om op te treden tegen inbreukmakers. Een aantal bepalingen uit de richtlijn behoeft geen uitvoering omdat de Nederlandse wetgeving er reeds in voorziet. De bepalingen die wel nadere uitvoering vergen, worden grotendeels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwerkt en enkele bepalingen in de afzonderlijke intellectuele-eigendomswetten.

De nieuwe maatregelen voorzien onder meer in een uitbreiding van de mogelijkheden om bewijs te vorderen bij de wederpartij. Het wordt mogelijk om zogenaamd bewijsbeslag te leggen op inbreukmakende voorwerpen ter voorkoming dat het bewijs van de inbreuk vernietigd wordt. Ook wordt het in het kader van de bescherming van bewijs mogelijk om de deurwaarder de inbreukmakende zaken of de daarop betrekking hebbende documenten te laten beschrijven of monsters te laten nemen. Als aan de rechter toestemming voor deze maatregelen wordt gevraagd, hoeft hij de inbreukmaker niet te horen, zodat deze door de maatregel verrast zal kunnen worden. Tegen de inbreukmaker kan in kort geding een verbod op de inbreuk gevorderd worden, eveneens zonder dat hij gedagvaard en gehoord hoeft te worden.

Tussenpersonen die diensten verlenen ten behoeve van een inbreuk, kunnen geboden worden de desbetreffende diensten te staken. De mogelijkheden voor de houder van het intellectuele eigendomsrecht om van de inbreukmaker en van derden die bij de inbreuk betrokken zijn, informatie over de herkomst of de verdere distributie van de inbreukmakende zaken op te eisen, worden verruimd. De verliezende partij wordt in beginsel veroordeeld in alle kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt in het kader van de inbreukprocedure. Worden echter enkele van deze maatregelen ten onrechte opgelegd, bijvoorbeeld omdat later in een bodemprocedure blijkt dat er geen sprake was van inbreuk, dan zijn er voor de gedupeerde gedaagde meer mogelijkheden om van de houder van het intellectuele eigendomsrecht schadevergoeding te vorderen.

De bewindslieden zijn gemachtigd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De inhoud van het voorstel en van het advies worden pas openbaar bij de indiening ervan bij de Tweede Kamer." Perbericht, 11 juli 2005, hier.

IEF 620

Kamerstukken

Uit de vandaag gepubliceerde kamerstukken spreekt hoop. Hoop voor Nederland: "Ik heb er dus het volste vertrouwen in dat het EOB, als gerenommeerde en gerespecteerde internationale kennisorganisatie, voor Nederland behouden blijft."

En hoop voor Europa: "Het Vertalingenprotocol op zich is een nuttige bijdrage aan verdere convergentie van de octrooiwetgeving in Europa. Inwerkingtreding ervan zou erop kunnen wijzen dat de betrokken (ook grotere) landen kennelijk bereid zijn taalpolitieke problemen uit de weg te ruimen. Die houding zou positief kunnen uitpakken voor de totstandbrenging van het Gemeenschapsoctrooi. Nederland steunt dus zowel de verbetering van het EOV-systeem met behulp van het Vertalingenprotocol als de totstandkoming van een Gemeenschapsoctrooi."

Kamerstukken, 29874 nr. 10  (2e Kamer) Goedkeuring en uitvoering van de Akte tot herziening van artikel 63 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, het Verdrag inzake octrooirecht, het Verdrag inzake de toepassing van artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien en de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien. Nota naar aanleiding van het nader verslag

IEF 619

Van ruilen komt huilen

Adformatie bericht dat RNN7 (zie eerdere berichten hier) RTL Nederland nog een week de tijd heeft gegeven om af te zien van het gebruik van de nieuwe naam RTL7. De advocaat van de RTL groep zou na het bestuderen van de stukken expliciet meer tijd gevraagd om tot een onderbouwde reactie te komen.

Volgens het bericht gaan er geruchten dat RTL het merk Yorin, de oude naam van RTL7, zou willen afstaan aan RNN7. RNN7 zou hebben laten weten dit aanbod (nog) niet serieus te nemen. Wat zouden de voorwaarden zijn van een dergelijke ruil? Zouden de regionalen het merk Yorin bijvoorbeeld weer mogen doorverkopen aan Talpa?

IEF 618

Onder cartoonisten

De Journalist bericht dat 'in de kringen van politieke tekenaars na de uitreiking van de BeNe Cartoonprijs op 18 juni een heftige discussie is uitgebroken over de winnende tekening van Ruben L. Oppenheimer (NRC Handelsblad).' Na de uitreiking melde collega cartoonist Farhad Foroutanian (Rotterdams Dagblad) dat hij al in juli 2003 een soortgelijke cartoon had gepubliceerd op cartoonsite van Slate Magazine. "Ik heb het gemeld omdat ik het een beetje raar vond dat Ruben kon winnen met een tekening die ik al eerder gemaakt had. Het gaat me puur om de tekening. Ruben noch iemand anders mag die gebruiken. Alles wat ik nu zeg of doe lijkt een aanval op Ruben persoonlijk, maar dat is niet de bedoeling.’

Oppenheimer is zich "‘met de hand op mijn hart’ van geen kwaad bewust. "Ik heb Farhads tekening nooit gezien voordat ik mijn tekening maakte. Mijn enige verklaring is dat het een geval is van twee mensen met hetzelfde idee. Ik vraag me wel af waarom hij pas na het uitreiken van de prijs iets zegt en niet meteen toen mijn tekening in januari 2004 werd gepubliceerd in het NRC. Ik ben niet van plan de prijs terug te geven aan de organisatie of het te delen met Farhad, want dat zou hetzelfde zijn als schuld bekennen en ik voel me niet schuldig." De organisator van de Cartoonprijs, de stichting Pers en Prent zal de prijs niet terugvorderen, omdat er geen sluitend bewijs is voor plagiaat. Op de site van Slate staan overigens met regelmaat soortgelijke cartoons van verschillende cartoonisten, zie bijvoorbeeld de recente serie over de aanslagen in Londen. Tekening van Oppenheimer hier, tekening van Foroutanian hier.

IEF 617

Lego kan alles maken

Interessant vonnis op rechtspraak.nl: Rechtbank Breda, 6 juli 2005, LJN: AT8962, 118470/HA ZA 03-501. Mega Bloks tegen Lego. De vordering van Mega Bloks betreft de vraag of de Micro en Mini bouw-systemen als slaafse nabootsing zijn te kwalificeren van de Lego en Duplo bouwsystemen van Lego.

Uitgebreide bespreking volgt waarschijnlijk. Nu even snel de hoofdpunten: "Het hele blokje is technisch/functioneel bepaald en wat overblijft is een kaal blokje dat geen onderscheidend vermogen heeft, aldus Mega Bloks. Deze stelling wordt gepasseerd. Relevant is of het product een eigen gezicht en een eigen plaats in de markt heeft. Als niet door Mega Bloks weer-sproken staat vast dat het Lego- en Duplo-blokje als zodanig door (nagenoeg) een ieder worden herkend. De rechtbank is van oordeel dat het Lego- en Duplo-blokje qua uiterlijk eigen unieke plaatsen in de Nederlandse markt van speelgoed bouwsystemen innemen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient bij de beoordeling of Mega Bloks het Lego- en Duplo-blokje zo heeft nagebootst dat verwarring bij het publiek is te duchten, de door Mega Bloks genoemde omstan-digheden, zoals verpakking en gebruik van merken, te worden betrokken. Anders dan Mega Bloks stelt, is niet alleen het moment van aankoop relevant. Met Lego is de rechtbank van oordeel dat het gevaar voor verwarring zich ook na aankoop kan verwezen-lijken en dat daar in het onderhavige geval sprake van is.

Voor de maatvoering van de betreffende blokjes (een groter of kleiner blokje) had Mega Bloks een andere keuze kunnen maken zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van Micro en Mini als bouwblokje. Als onvoldoende weersproken staat vast dat de octrooien van Lego bescherming boden aan de klemconstructie met noppen. Lego claimt niet het alleenrecht op een speelgoedsysteem met een dergelijke klemconstructie. Ook Mega Bloks staat het vrij om een dergelijke noppentechniek te gebruiken voor haar bouwsysteem. Naar het oordeel van de rech Anders dan Mega Bloks stelt, is de maatvoering van het Lego- en Duplo-blokje niet volledig technisch/functioneel bepaald. Het staat het Mega Bloks echter niet vrij de identieke maatvoering van Lego over te nemen.

Dat er bij afnemers behoefte bestaat aan standaardisatie is niet gebleken. Het speelgoedblokje kan niet slechts in een bepaalde vorm worden toegepast, zoals bijvoorbeeld een cassettebandje in een cassetterecorder. De vorm van speelgoedbouw-steentjes wordt dan ook niet gedicteerd door factoren van buitenaf, zodat in zoverre geen norm op het gebied van speelgoedblokjes bestaat en daarmee geen rechtvaardiging om een zelfde maatvoering te gebruiken. Een andere wens van afnemers (dan die met betrekking tot standaardisatie) is volgens Mega Bloks een bij (een deel van de) afnemers levende wens om producten met een bepaald uiterlijk af te nemen, waarbij die niet afkomstig hoeven te zijn van de oorspronkelijke fabrikant. Kennelijk bedoelt Mega Bloks daarmee te stellen dat het publiek behoefte heeft om blokjes, die identiek zijn aan of uitwisselbaar met de Lego- en Duploblokjes, te kunnen kopen bij een andere fabrikant tegen een lagere prijs. Voor zover die behoefte er al bij de consument bestaat, is dit geen rechtvaardiging voor nabootsing van de blokjes van Lego.

Uit het vorenstaande volgt dat Mega Bloks de mogelijkheid heeft om een andere maatvoering te kiezen, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid, zodat zij daartoe verplicht is. Nu zij zulks niet heeft gedaan betekent dit dat sprake is van slaafse nabootsing wegens het stichten van nodeloze verwarring tussen het Micro-blokje en Lego-blokje en tussen het Mini-blokje en Duplo-blokje. De door Mega Bloks gevorderde verklaring voor recht dient dan ook te worden afgewezen. Het door Lego gevorderde verbod is met inachtneming van hetgeen reeds in rechtsoverweging 3.3 is overwogen, toewijsbaar. De op te leggen dwangsommen zullen worden gemaximeerd als in het dictum vermeld." Lees vonnis.

Te leuk: Impressie van de rechtszitting.

IEF 616

el winnaar

Hoge Raad, 8 juli 2005, LJN: AT1088C01/036HR, Unilever tegen Arctic. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2000.

In de woorden van PG Strikwerda: "Het oordeel van het hof dat het enkele feit dat Unilever c.s. het teken al eerder dan Artic c.s. gebruikten, onder de omstandigheden van het onderhavige geval onvoldoende is om af te wijken van het oordeel dat het depot te kwader trouw door Unilever c.s. is geschied, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting: het voor-voorgebruik van Unilever c.s. staat aan het beroep van Artic c.s. op aanwezigheid van kwade trouw bij Unilever c.s. in de weg. De verwijzing door het hof naar de omstandigheden van het onderhavige geval kan daar niet aan afdoen, nu uit geen van de door het hof genoemde omstandigheden kan volgen dat Unilever c.s. het depot uit anderen hoofde te kwader trouw hebben verricht." Lees arrest.

IEF 614

Einde van een tijdperk?

Update: ANP bericht (zie hieronder) blijkt niet helemaal te kloppen. Andere bronnen, waaronder dit nieuwsbericht van Xs4all, melden dat Scientology de zaak inderdaad wil intrekken, maar dat de wederpartij hier niet mee akkoord wil gaan en de stap van Scientology mogelijk zelfs beschouwt als misbruik van procesrecht.

Met het oog op deze ontwikkelingen heeft De Hoge Raad vandaag nog geen beslissing genomen en is de zaak is verwezen naar de rolzitting van 12 augustus 2005. Op deze rolzitting zal er een dag worden bepaald  waarop de PG advies uitbrengt aan de Hoge Raad over het intrekkingsverzoek van Scientology. Na dit advies zal de Hoge Raad haar definitieve uitspraak doen. Het zou volgens de berichten een gebruikelijke strategie van Scientology zijn om zich op het laatste moment terug te trekken uit door haar aangespannen rechtszaken.

IEF 613

10.188 schoenen

Eiseres Nike International Ltd. krijgt van de Belastingdienst/Douane te Rotterdam te horen van een zending mogelijk inbreukmakende goederen (5094 paar sportschoenen) was aangetroffen.  De zending was afkomstig van het bedrijf Ferrari Sports LLC (Verenigde Arabische Emiraten) en bestemd voor gedaagde, Marimina B.V.

Nike eist afgifte van de partij goeden ter vernietiging, opgave van de gegevens van producenten, leveranciers en afnemers van de partij schoenen en staken en gestaakt houden van iedere inbreuk op haar merkrechten.

De rechtbank wijst alle eisen van Nike af, omdat afgifte ter vernietiging in kort geding te verstekkend zou zijn, onvoldoende is gebleken dat Nike niet reeds beschikt over alle informatie die gedaagde zou kunnen verstekken en er geen dreiging van (verdere) inbreuk bestaat. Lees hier het vonnis.

IEF 612

Einde van een tijdperk

Het ANP bericht dat de Scientology Kerk de zaak tegen schrijfster Karin Spaink en enkele interaanbieders bij de Hoge Raad heeft ingetrokken. Advocaat Joris van Manen van Spaink en de providers schijnt zich te verzetten tegen de intrekking, omdat hij wil dat de Hoge Raad uitspraak doet in de langslepende kwestie. „Bizar”, noemt Van Manen het besluit van Scientology. „Het is wat gek dat ze er daags voor de uitspraak van de Hoge Raad achter komen dat ze kunnen leven met het arrest van het gerechtshof van anderhalf jaar geleden. Intussen hebben mijn cliënten eindeloos veel kosten gemaakt om ons tegen hun klachten bij de Hoge Raad te verweren. En dan wordt er om twee voor twaalf om intrekking gezocht. Dat is in strijd met een goede procesorde. Bovendien heeft Scientology eerder ook twee andere procedures die ze had aangespannen, in een zeer laat stadium ingetrokken.”

Scientology beschuldigde Spaink en de internetproviders van inbreuk op het auteursrecht, waarop hetHof Den  Haag het beroep van Spaink op vrije meningsuiting liet prevaleren over het auteursrecht van Scientology. Volgens advocaat Grabandt heeft Scientology in Amerika de beslissing van het gerechtshof bestudeerd en denkt de organisatie dat het vonnis geen precedentwerking heeft voor andere landen. Volgens hem is dat de reden dat er om intrekking van de procedure is gevraagd.

IEF 611

Zwanezang

Al eerder in de media, maar vandaag verloopt de deadline (met dank aan Theo Visser van Novagraaf): Het nieuwe logo van het voorzitterschap van Engeland van de Europese Unie, dat op 1 juli is ingegaan, geeft problemen. Het logo toont 12 blauwe zwanen die in een V formatie vliegen.

Het idee in een metafoor voor leiderschap, teamwork en efficiëntie, dat in het bijzonder toepasselijk is voor het systeem van het wisselend voorzitterschap van de EU. De zwanen vliegen in een V formatie, dat is efficiënt, alle zwanen vliegen in de slipstream van een ander behalve de eerste zwaan. Deze laat zich terugzakken en een andere zwaan neemt de leiding over. Leuk idee, maar het vastleggen ervan in een beeldmerk was al eerder gebeurd.

Het in Londen gevestigde bedrijf The Bruges Group, voert sedert begin jaren negentig een zelfde beeldmerk met vogels en heeft de Britse regering van haar bezwaren op de hoogte gesteld. Zij wil voor vandaag 8 juli om 12.00 uur bericht hebben van de regering wat deze aan de inbreuk gaat doen. Hoort zij niets dan zal een gerechtelijke actie volgen.

Volgens de ontwerper van het ? 35.000,- kostende ontwerp Michael Johnson van Johnson Bank Design zijn alle benodigde onderzoeken in de merkenregisters gedaan. Het is echter vreemd dat een bijna identiek beeldmerk in de onderzoeken niet wordt gevonden, aldus een woordvoerder van Novagraaf. Verder zei Johnson dat het beeldmerk van Bruges Group te oud en te weinig herkenbaar schijnt te zijn om het je te kunnen herinneren.

IEF 10516

Detailhandelsdiensten

HvJ EG 7 juli 2005, zaak C-418/02 (PRAKTIKER Bau- und Heimwerkermärkte AG tegen DPM) - dossier

Prejudiciële vragen van Bundespatentgericht, Duitsland.

Merken – Richtlijn 89/104/EEG – Dienstmerken – Inschrijving – Diensten verricht in kader van detailhandel – Specificatie din inhoud van diensten – Soortgelijkheid van betrokken diensten enerzijds en waren of andere diensten anderzijds”

Samenvatting van het arrest
1. Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Dienstmerken – Begrip „diensten” – Gemeenschapsbegrip – Eenvormige uitlegging (Richtlijn 89/104 van de Raad)

1. Het is aan het Hof, in de communautaire rechtsorde een eenvormige uitlegging te geven van het begrip „diensten” in de zin van richtlijn 89/104 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten.

De aard en de inhoud van de dienst die door een ingeschreven merk kan worden beschermd, wordt namelijk niet bepaald door de regelingen inzake de inschrijvingsprocedures, ten aanzien waarvan de lidstaten iedere vrijheid behouden, maar door de materiële voorwaarden voor de verkrijging van het door het merk verleende recht. Bovendien, indien de lidstaten bevoegd waren voor de bepaling van het begrip „diensten”, zouden de voorwaarden voor inschrijving van dienstmerken naar gelang van de betrokken nationale wetgeving kunnen variëren. Het doel, verkrijging van het recht op het merk in alle lidstaten onder „gelijke voorwaarden”, zou dan niet worden bereikt. (cf. punten 30‑33)

2. Harmonisatie van wetgevingen – Merken – Richtlijn 89/104 – Dienstmerken – Begrip „diensten” – Detailhandel in waren – Daaronder begrepen – Voorwaarden voor inschrijving (Richtlijn 89/104 van de Raad, art. 2)

2. Het begrip „diensten” in de zin van richtlijn 89/104 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten omvat de diensten die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht. Uit de richtlijn of de algemene beginselen van gemeenschapsrecht blijkt namelijk niet van een dwingende reden die zich ertegen verzet dat deze prestaties onder het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn vallen, en dat derhalve de handelaar het recht heeft om door inschrijving de bescherming van zijn merk als aanduiding van de herkomst van de aangeboden diensten te verkrijgen.

Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk.

Vragen

1.Is detailhandel in waren een dienst in de zin van artikel 2 van de richtlijn?
Zo ja:
2.In hoeverre moeten dergelijke diensten van een detailhandelaar inhoudelijk nader worden gepreciseerd, om te garanderen dat het voorwerp van de merkbescherming voldoende bepaald is, hetgeen vereist is voor
a)de in artikel 2 van de richtlijn geregelde functie van het merk, waren en diensten van een onderneming te onderscheiden van die van een andere onderneming,
b)de afbakening van de omvang van de bescherming van een dergelijk merk in geval van collisie?
3.In hoeverre moet de mate van overeenstemming (artikelen 4, lid 1, sub b, en 5, lid 1, sub b, van de richtlijn) worden bepaald tussen dergelijke diensten van een detailhandelaar en
a)andere, met de handel in waren samenhangende diensten, of
b)door de betrokken detailhandelaar verhandelde waren?

Antwoord
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Het begrip „diensten” in de zin van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, met name in artikel 2 ervan, omvat de diensten die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht.
2) Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk.

IEF 610

detailhandel in waren

HvJ EG, 7 juli 2005, zaak C-418/02. Praktiker Bau. De aanvraag tot inschrijving van het merk Praktiker (voor met name de dienst "detailhandel in bouw-, doe-het-zelf- en tuinartikelen en andere verbruiksartikelen voor de doe-het-zelver") door Praktiker Markte werd door het Deutsche Patent- und Markenamt afgewezen. Het begrip "detailhandel" is geen aanduiding voor zelfstandige diensten met een autonome economische betekenis. Praktiker Markte stelt beroep in en de rechter besluit prejudiciele vragen te stellen omtrent de vraag of de detailhandel in waren een dienst is in de zin van artikel 2 van de richtlijn.

De volgende prejudiciele vragen worden gesteld:
1) Is de detailhandel in waren een dienst in de zin van artikel 2 van de richtlijn? Zo ja:
2) In hoeverre moeten dergelijke diensten van een detailhandelaar inhoudelijk nader worden gespecificeerd om te garanderen dat het voorwerp van de merkbescherming voldoende bepaald is, zoals wordt vereist door:
a)  de in artikel 2 van de richtlijn gedefinieerde functie van het merk, waren en diensten van een onderneming te onderscheiden,
b)  de noodzakelijke afbakening van de omvang van de bescherming van een dergelijk merk in geval van collisie?
3)   In hoeverre moet de soortgelijkheid [artikel 4, lid 1, sub b, en artikel 5, lid 1, sub b, van de richtlijn] van dergelijke diensten van een detailhandelaar en a) andere, met de distributie van waren samenhangende diensten, of b) de door de betrokken detailhandelaar verhandelde waren worden afgebakend?”

Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst het Bundespatentgericht in wezen te vernemen of het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn, met name artikel 2 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het diensten verricht in het kader van de detailhandel in waren omvat en, zo ja, of de inschrijving van een dienstmerk voor deze diensten afhankelijk is van bepaalde nadere preciseringen. (rov 19)

Indien de lidstaten bevoegd waren voor de bepaling van het begrip „diensten”, zouden de voorwaarden voor inschrijving van dienstmerken naargelang van de betrokken nationale wetgeving kunnen variëren. Het doel, verkrijging van het recht op het merk in alle lidstaten onder „gelijke voorwaarden”, zou dan niet worden bereikt. Het is derhalve aan het Hof, in het gemeenschapsrecht een eenvormige uitlegging te geven van het begrip „diensten” in de zin van de richtlijn (rov 32 en 33)

Om te beginnen zou een onderscheid tussen de verschillende categorieën bij de verkoop van waren verrichte diensten, dat voor een engere afbakening van het begrip „detailhandelsdiensten” zou moeten worden gemaakt, kunstmatig zijn tegen de achtergrond van de realiteit in de belangrijke economische sector die de detailhandel vormt. Een dergelijk onderscheid zou onvermijdelijk moeilijkheden veroorzaken bij de algemene definitie van de te hanteren criteria en de praktische toepassing daarvan.(rov 45)

Uit niets blijkt namelijk dat eventuele moeilijkheden als gevolg van de inschrijving van merken voor detailhandelsdiensten niet zouden kunnen worden opgelost op basis van de twee genoemde bepalingen van de richtlijn zoals deze door het Hof zijn uitgelegd. Volgens de rechtspraak van het Hof dient het verwarringsgevaar globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. In het kader van deze globale beoordeling kan zo nodig rekening worden gehouden met de bijzonderheden van het begrip „detailhandelsdiensten” die samenhangen met de ruime werkingssfeer ervan, met inachtneming van de rechtmatige belangen van alle belanghebbende partijen. (rov 48)
In deze omstandigheden is het voor de inschrijving van een merk voor diensten verricht in het kader van de detailhandel niet noodzakelijk om de dienst(en) concreet te omschrijven, waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd. Voor de identificatie ervan kan worden volstaan met algemene formuleringen als „verzamelen van verschillende waren om de consument in staat te stellen ze gemakkelijk te bekijken en te kopen”.(rov 49)

Daarentegen dient van de aanvrager te worden verlangd dat hij de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, specificeert door middel van omschrijvingen zoals bijvoorbeeld voorkomend in de in het hoofdgeding ingediende inschrijvingsaanvraag (zie punt 11 van het onderhavige arrest). (rov 50)

Aangezien de derde vraag van hypothetische aard is, gaat het HvJ hier niet op en en verklaart voor recht:
1)  Het begrip „diensten” in de zin van de Eerste Richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, met name in artikel 2 ervan, omvat de diensten die in het kader van de detailhandel in waren worden verricht.
2)  Voor de inschrijving van een merk voor deze diensten is het niet noodzakelijk de betrokken dienst(en) concreet te omschrijven. Een nadere omschrijving van de waren of soorten waren waarop deze diensten betrekking hebben, is daarentegen wel noodzakelijk. Lees arrest.

IEF 609

Feyenoord buitenspel?

Met dank aan Van der Steenhoven Advocaten: Tussenvonnis Rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2005, zaaknummer 96115/HA ZA 03-1112 (Feyenoord/Boelen) Feyenoord is opgekomen tegen het gebruik van de tekens "FR-Casuals", "FR 1908", "FR"en "FR since 1908" door Boelen voor "casual"supporterskleding.

Boelen heeft in 1996 exclusieve kleding ontworpen voor een speciale groep fanatieke Feyenoord supporters. Boelen heeft deze kleding vanaf 1997 verkocht onder de naam en logo's FR en FR-Casuals. Op 22 juni 2001 heeft Boelen deze aanduidingen als Beneluxmerk laten registreren.

Feyenoord is in april 2001 gestart met een nieuwe lijn vrijetijdskleding onder het merk "FR", en later ook nog mede onder de aanduiding FR-Casuals. Boelen heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank Feyenoord veroordeelt iedere inbreuk op de auteurs- , handelsnaam - en merkrechten van Boelen te doen en staken en dat de rechtbank nietig verklaart het door Feyenoord op 27 oktober 2000 geregistreerde beeldmerk "FR". 

Feyenoord heeft de volgende merkrechten ingeroepen tegen Boelen: de traditionele beeldmerken met registratienummers 011697, 385418, 410761, 0152030 en het nieuwe beeldmerk "FR". De rechtbank is van mening dat de door Boelen gedeponeerde merken op de traditionele merken geen inbreuk maken.

Volgens de rechtbank biedt het logo van Boelen een duidelijk andere totaalindruk dan de voornoemde merken. De tekstelementen "Football Club" en "since 1908" komen hierin niet voor. Ook is er geen sprake van begripsmatige overeenstemming "nu de aanduidingen "Football Club" en "since 1908" niet meer inhouden dan een voor het relevante publiek herkenbare verwijzing naar de voetbalclub Feyenoord, welke verwijzingen niet kunnen worden opgevat als naamsaanduiding voor deze voetbal club of verward met de naam "Feyenoord". Er is geen sprake van een situatie als in de Arsenal Reed uitspraak (HvJ EG 12 november 2002, C-206/1). Boelen is toegestaan de bestemming van zijn producten duidelijk te maken, zolang hij maar niet suggereert dat er een commerciele band bestaat tussen hem en Feyenoord. Hiervan is gaan sprake omdat Boelen geen gebruik heeft gemaakt van de naam "Feyenoord" als herkomstaanduiding.

De rechtbank is van oordeel dat de totaalindruk van het FR logo van Boelen wel overeenstemt met het beeldmerk "FR" van Feyenoord. Echter, de rechtbank moet beoordelen of er sprake is van een depot te kwader trouw door Feyenoord. De goeder trouw van Boelen acht zij voldoende bewezen, maar nog niet of er sprake is van een normaal gebruik van het FR-beeldmerk door Boelen in de periode van 27 oktober 1997 tot 27 oktober 2000 en of Feyenoord wist dan wel behoorde te weten van dit gebruik. De rechtbank heeft Boelen de opdracht gegeven om bovengenoemde punten te bewijzen. De rechtbank verlangt bovendien dat Boelen bewijs levert dat hij zijn logo in 1996 heeft ontworpen. Lees vonnis.

IEF 608

EC stelt

Vandaag verschenen: "Study on a community initiative on the cross-border collective management of copyright" van de Europese Commissie. (zie ook het eerder bericht)

De huidige regeling - waarbij een online provider van muziek naar elke afzonderlijke collectieve rechtenorganisatie dient te gaan per land - heeft ten gevolge dat het voor nieuwe online muziek diensten moeilijk is een bedrijf op te starten. Een licentie voor heel Europa - die bij 1 collectieve rechtenorganisatie verkregen zou moeten kunnen worden - zou deze situatie kunnen verbeteren. De studie concludeert:

"entirely new structures for cross- border collective management of copyright are required, and that the most effective model for achieving this is to enable right holders to authorise e collecting society of their choice to manage their works accross the entire EU. This would create a competitive environment for cross-border management of copyright and considerabely enhance right-holders' earning potential"

IEF 607

Have a break...

Een opmerkelijke uitspraak. Nestlé heeft in het Verenigd Koninkrijk de slagzin “Have a break… have a Kit Kat” ingeschreven. Later doet zij een aanvraag voor het merk HAVE A BREAK. Concurrent Mars stelt oppositie in, zich beroepend op art. 3 lid 1 sub b van Richtlijn 89/104.

Uiteindelijk weet de rechter in hoger beroep het ook niet meer en stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie: “Kan een merk onderscheidend vermogen in de zin van art. 3 lid 3 van richtlijn en art. 7 lid 3 van de Verordening verkrijgen na of ten gevolge van het gebruik van dat merk als deel van of in samenhang met een ander merk?”

Het Hof heeft slechts 33 overwegingen nodig en vindt van wel.

26. Wat de verkrijging van het onderscheidend vermogen door gebruik betreft, moeten de betrokken kringen de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming identificeren op basis van het gebruik van het teken als merk (arrest Philips, reeds aangehaald, punt 64).

27. Om te kunnen voldoen aan laatstgenoemde voorwaarde, die in het hoofdgeding aan de orde is, hoeft het merk waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, niet noodzakelijkerwijs zelfstandig te zijn gebruikt.

28. Artikel 3, lid 3, van de richtlijn bevat immers geen beperking in die zin en doelt enkel op „het gebruik dat [...] is gemaakt” van het merk.

29. De uitdrukking „gebruik van het teken als merk” moet derhalve aldus worden begrepen dat zij enkel betrekking heeft op het gebruik van het teken met het oog op de identificatie door de betrokken kringen van de waar of de dienst als afkomstig van een bepaalde onderneming.

30. Een dergelijke identificatie, en dus de verkrijging van onderscheidend vermogen, kan zowel voortkomen uit het gebruik, als deel van een ingeschreven merk, van een element van dit laatste, als uit het gebruik van een afzonderlijk teken in samenhang met een ingeschreven merk. In de twee gevallen is het voldoende dat de betrokken kringen de waar of de dienst die wordt aangeduid met het enkele merk waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, ten gevolge van dit gebruik daadwerkelijk percipiëren als afkomstig van een bepaalde onderneming.

31. Er zij aan herinnerd dat alle factoren moeten worden onderzocht waaruit kan blijken dat het merk geschikt is geworden om de betrokken waar of dienst te identificeren, en dat bij deze beoordeling rekening kan worden gehouden met onder meer het marktaandeel van het merk, de intensiteit, de geografische spreiding en de duur van het gebruik van dit merk, de omvang van de investeringen die de onderneming heeft gedaan voor de promotie ervan, het aandeel van de betrokken kringen dat op basis van het merk de waar of de dienst identificeert als afkomstig van een bepaalde onderneming, alsmede de verklaringen van kamers van koophandel en industrie of van andere beroepsverenigingen (arrest van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee, C-108/97 en C-109/97, Jurispr. blz. I-2779, punten 49 en 51).

32. Derhalve moet de prejudiciële vraag aldus worden beantwoord dat een merk onderscheidend vermogen in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn kan verkrijgen ten gevolge van het gebruik van dit merk als deel van of in samenhang met een ingeschreven merk.

IEF 606

Het aandachtsniveau van een motorrijder

Arrest van het Gerecht van eerste aaanleg, T-385/03 (Miles International / OHMI - Biker Miles (Biker Miles)  Op grond van haar woordmerk MILES, ingeschreven voor "kledingstukken, waaronder sportkleding" van klasse 25 heeft Miles International met succes opppositie ingesteld tegen de inschrijving van het beeldmerk "BIKER MILES" voor de waren van klasse 25.

De Tweede kamer van Beroep heeft het beroep van Biker Miles toegewezen. Zij is van mening dat "de betrokken consumenten bijzonder belang hechten aan het functionele karakter van deze speciale kledingstukken en aan de erdoor verschafte veiligheid, en dat zij dus blijk geven van een verhoogd aandachtsniveau". Bovendien acht zij de tekens verschillend.

Het GvEA denkt hieranders over. Hoewel het juist is dat het aandachtsniveau van de betrokken consument kan varieren naar gelang van de soort waren of diensten waar het om gaat, gaat dat argument hier niet op omdat "uit de omschrijving van de waren in de inschrijvingsaanvraag kan evenwel niet worden afgeleid dat de kledingstukken waarop de aanvraag betrekking heeft, naast de functie ervan kenmerken bezitten waardoor zij zich onderscheiden van kledingstukken in het algemeen".

Kortom: nu Biker Miles haar aanvraag niet heeft beperkt tot specifieke kleding heeft de betrokken consument geen hoog aandachtsniveau. Het GvEA heeft bovendien geoordeeld dat er sprake is van overeenstemming. Het woordelement "MILES" is het dominerende bestanddeel van het aangevraagde merk en is identiek aan het merk MILES. De les is: schrijf het (Gemeenschaps)merk niet zomaar in, maar denk goed na over de omschrijving van de waren en dienstenklassen. Een te ruime omschrijving kan nadelig uitpakken. Lees arrest.