IEF 17016

Zoon voert inbreukmakende handelsnaam door gebruikmaking van familienaam vader

Vzr. Rechtbank Gelderland 24 juli 2017, IEF 17016; ECLI:NL:RBGEL:2017:4180 (Familiebedrijf Grond en Sloopwerk) Handelsnaamrecht. Een familiebedrijf dat zich bezighoudt met de uitvoering van sloopwerk en infrastructurele werken is opgericht door de vader van gedaagde. Na 25 jaar in dienst te zijn geweest beëindigd gedaagde zijn dienstverband en begint een eigen onderneming onder dezelfde handelsnaam. Eiseres vordert staking handelsnaaminbreuk. In beide namen komen de elementen ‘[naam]’ en ‘Grond- en Sloopwerk’ voor en de gedreven ondernemingen zijn gevestigd in aangrenzende gemeenten. Verwarringsgevaar tussen ondernemingen wordt aannemelijk geacht. Gebruik van de handelsnaam van gedaagde wordt verboden. Alle overige vorderingen worden afgewezen.

3.4. De naam waaronder [gedaagde] zijn onderneming aanvankelijk voerde, luidt: ‘ [gedaagde] Grond- en Sloopwerk’. De handelsnaam op bescherming waarvan [eiseres] aanspraak maakt, luidt: ‘ [eiseres] ’ De onderneming van [gedaagde] is gevestigd in [woonplaats] , die van [eiseres] in [woonplaats] . [woonplaats] en [woonplaats] zijn aan elkaar grenzende gemeenten. Omdat in beide namen de elementen ‘ [naam] ’ en ‘Grond- en Sloopwerk’ voorkomen, terwijl de onder die namen gedreven ondernemingen gevestigd zijn in gemeenten die aan elkaar grenzen, is voldoende aannemelijk dat verwarring tussen deze ondernemingen te duchten is bij het daarvoor in aanmerking komende publiek. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] haar handelsnaam rechtmatig voert en dat zij dat al deed ruim voordat [gedaagde] zijn eigen onderneming begon. Onder deze omstandigheden verbiedt artikel 5 Hnw aan [gedaagde] het gebruik van de handelsnaam ‘ [gedaagde] Grond- en Sloopwerk’. Dat wordt niet anders doordat Van Dam Berry zijn achternaam is. Het gaat in het onderhavige geval immers om een familiebedrijf dat is opgericht door de vader van [gedaagde] en dat aan de huidige eigenaar is verkocht inclusief de handelsnaam met daarin de familienaam. Nu vaststaat dat [gedaagde] zijn onderneming op 18 april 2017 bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven onder de inbreukmakende handelsnaam en hij deze naam heeft gebruikt in zijn op 24 april 2017 gedateerde brief en op zijn bedrijfsbus, wordt geoordeeld dat [eiseres] voldoende recht en spoedeisend belang heeft bij een verbod, al zijn er ook aanwijzingen dat dat [gedaagde] de inbreuk na sommatie heeft gestaakt. De vordering het gebruik van de handelsnaam op grond van artikel 5 Hnw te verbieden is daarom toewijsbaar.

3.5. Omdat er aanwijzingen zijn dat [gedaagde] de inbreukmakende handelsnaam na sommatie niet meer gebruikt, zoals hiervoor overwogen, zal aan dit verbod geen dwangsom worden verbonden.