IEF 17320

Voeging van niet-VRO-zaak met VRO-zaak is ontoelaatbaar

Rechtbank Den Haag 22 november 2017, IEF 17320; LS&R 1543 (AstraZeneca tegen Sandoz). Octrooirecht. Voeging. Schorsing. Vervolg op het kort geding [IEF 16152], waarin Sandoz een voorlopig verbod tot inbreuk op EP 1 250 138 is opgelegd. Vervolgens heeft Sandoz een (VRO-)nietigheidsprocedure aanhangig gemaakt en AstraZeneca (vervolgens) een (gewone) bodemzaak waarin zij een definitief verbod vordert. Sandoz verzoekt schorsing bodemzaak vanwege de reeds aangespannen nietigheidsprocedure. Astrazeneca vordert voeging of informele rolvoeging van beide zaken. Voeging van een niet-VRO-(bodem)zaak met een VRO-(nietigheids)zaak leidt ertoe dat de eerste zaak feitelijk ook onder dat regime zou komen te vallen, zonder dat de eisende partij daartoe heeft verzocht. Dit is niet toelaatbaar. Het verzoek tot schorsing van de bodemzaak wordt wel toegewezen. Het belang aan de (gewone) bodemzaak vervalt als in de nietigheidsprocedure ofwel de nietigheidsvordering van Sandoz wordt toegewezen, of de in reconventie door AstraZeneca gevorderde (definitieve) verbodsvorderingen worden toegewezen. De vertraging die schorsing met zich meebrengt is proceseconomisch aanvaardbaar indien die schorsing duurt totdat er in de nietigheidsprocedure eindvonnis (voorjaar 2018) is gewezen. Schorsing tot het vonnis in de nietigheidsprocedure in kracht gewijsde is gegaan is niet aanvaardbaar.

5.3. Voeging met de nietigheidsprocedure is in deze zaak niet toelaatbaar gelet op de eisen en de procedurele voorwaarden voor toelating in het VRO-regime. Voeging van een niet-VRO-zaak met een VRO-zaak leidt ertoe dat de eerste zaak feitelijk ook onder dat regime zou komen te vallen, zonder dat de eisende partij daartoe heeft verzocht. Ook kan de voeging tot vertragingen leiden omdat de nietigheidsprocedure, gelet op de stand van de onderhavige procedure, moet worden vertraagd tot aan antwoord in reconventie in de onderhavige zaak, of omdat de zaken weer moeten worden gesplitst als partijen nadere proceshandelingen zouden willen verrichten in de onderhavige zaak. De incidentele vordering tot voeging is om die reden in dit geval niet toelaatbaar en zal worden afgewezen. Op dezelfde gronden ziet de rechtbank geen grond voor een (informele) rolvoeging.

5.7. De rechtbank overweegt als volgt. In het incident heeft AstraZeneca gesteld dat zij voornemens is in de nietigheidsprocedure een reconventionele inbreukvordering in te stellen. Indien de nietigheidsvordering van Sandoz in de nietigheidsprocedure zou slagen of de reconventionele inbreukvordering van AstraZeneca in die procedure zou slagen, ontvalt het belang aan de onderhavige procedure. In de nietigheidsprocedure is pleidooi bepaald op 19 januari 2018. Bij de beoordeling neemt de rechtbank voorts mee dat zij ambtshalve bekend is met het arrest in kort geding van het Hof Den Haag van 31 oktober 2017, waarbij het kort geding vonnis met inbreukverbod in stand is gelaten. De onderhavige procedure vormt de hoofdzaak in de zin van artikel 1019i Rv van dat kort geding. Alles afwegend acht de rechtbank de vertraging die schorsing met zich meebrengt proceseconomisch aanvaardbaar indien die schorsing duurt totdat er in de nietigheidsprocedure eindvonnis is gewezen door de rechtbank. Daarmee wordt voorkomen dat Sandoz nu tijd en geld aan een conclusie van antwoord in de onderhavige procedure moet besteden, terwijl, gelet op de pleidooidatum in de nietigheidsprocedure, in het voorjaar van 2018 eindvonnis in die zaak verwacht kan worden. Een schorsing totdat dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zoals door Sandoz gevorderd, acht de rechtbank echter niet aanvaardbaar. Daarmee zou de onderhavige procedure in geval van een hoger beroep in de nietigheidsprocedure te zeer worden vertraagd.

5.8. Gelet op het voorgaande zal het incident tot schorsing worden toegewezen op de wijze zoals verwoord in het dictum.