IEF 17318

Voeging jongste met oudste procedure over zitzakken voor conclusie van antwoord

SeatZac

Rechtbank Den Haag 29 november 2017, IEF 17318; ECLI:NL:RBDHA:2017:14075 (Zigzac tegen Fatboy) Burgerlijk procesrecht. Incidentele vordering tot voeging. Vereisten art. 222 Rv. ZigZac vordert in de hoofdzaak verklaring voor recht dat het uiterlijk van de SeatZac van geen inbreuk maakt op de door Fatboy gestelde intellectuele eigendomsrechten. Zij vorderen in dit incident voeging met een zaak waarbij Fatboy een stakingsbevel vordert. Op grond van artikel 222 kan ook in de “Oudste procedure” door de eiser bij incidentele conclusie voeging met de “Jongste procedure” worden gevorderd, zolang door de gedaagde in die “Oudste procedure” nog geen conclusie van antwoord is genomen (vgl. artikel 222 lid 1 en 2 Rv j˚ artikel 220 lid 2 Rv). Voeging wordt bevolen.

4.1. Onder verwijzing naar de toelichting in Tekst & Commentaar op artikel 220 Rv stelt Fatboy zich op het standpunt dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat het “formeel niet juist is” dat ZigZac in de onderhavige procedure thans nog een incidentele vordering tot voeging instelt “van de Jongste in de Oudste procedure”, aangezien “de Jongste procedure later is aangebracht dan de oudste procedure”. Waar een vordering tot voeging moet worden gedaan bij de eerste gelegenheid dat de desbetreffende partij aan het woord is, had ZigZac de gewenste voeging van de “Jongste procedure in de Oudste procedure” meteen in haar inleidende dagvaarding of uiterlijk in het nadien gevolgde herstelexploit moeten doen, aldus nog steeds Fatboy, die haar betoog overigens besluit met de opmerking dat het ook naar haar mening wenselijk is dat beide procedures gezamenlijk worden behandeld. Zij verzoekt de rechtbank daarom de vordering in het incident toch toe te wijzen dan wel op verzoek van partijen een rolvoeging te gelasten.
4.2. De rechtbank merkt aanstonds op dat de uiteenzetting van Fatboy moeilijk is te volgen, nu daarin niet geheel duidelijk is welke zaak zij bedoelt als zij het heeft over de “Oudste procedure” en de “Jongste procedure”. In de randnummers 1 en 7 van haar conclusie van antwoord in het incident lijkt zij immers de onderhavige zaak als de “Oudste procedure” te duiden, terwijl zij deze zaak in randnummer 6 juist weer als de “Jongste procedure” lijkt te zien, daarbij kennelijk aanhakend bij de eerste roldatum. Dit laatste is overigens onjuist omdat voor de beantwoording van de vraag welke van de twee zaken de “oudste” is, gekeken moet worden naar het moment waarop deze aanhangig zijn gemaakt. Beslissend daarvoor is - als uitgangspunt - niet de eerste roldatum, maar de datum van dagvaarding (vgl. artikel 125 Rv). Hiervan uitgaande, dient de onderhavige zaak te worden aangemerkt als de “Oudste procedure”.
4.3. Belangrijker is evenwel dat Fatboy in haar stellingname de procesrechtelijke figuren van verwijzing (gevolgd door voeging) als bedoeld in artikel 220 Rv en voeging als bedoeld in artikel 222 Rv lijkt te verwarren. Gelet op de door haar gebezigde argumenten en verwijzingen gaat Fatboy klaarblijkelijk uit van eerstgenoemde regeling. Daarmee miskent zij echter dat het hier niet gaat om een situatie waarin, heel kort gezegd, tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp zaken aanhangig zijn bij verschillende gerechten, maar om een situatie waarin tussen dezelfde partijen samenhangende zaken aanhangig zijn binnen hetzelfde gerecht. Op een dergelijke situatie is artikel 222 Rv van toepassing. Op grond van dit artikel kan ook in de “Oudste procedure” door de eiser bij incidentele conclusie voeging met de “Jongste procedure” worden gevorderd, zolang door de gedaagde in die “Oudste procedure” nog geen conclusie van antwoord is genomen (vgl. artikel 222 lid 1 en 2 Rv j˚ artikel 220 lid 2 Rv). Aangezien Fatboy in de onderhavige zaak nog niet van antwoord heeft gediend, moet de conclusie dan ook zijn dat ZigZac haar incidentele vordering tijdig en op de juiste wijze heeft ingesteld.