IEF 17526

Verbod op tentoonstelling brieven Otto Frank alsnog toegewezen

Hof Amsterdam 6 februari 2018, IEF 17526; ECLI:NL:GHAMS:2018:395 (Anne Frank Stichting tegen Anne Frank-Fonds) Auteursrecht. Het Anne Frank-Fonds is auteursrechthebbende van drie brieven van Otto Frank (de vader van Anne Frank). De Anne Frank Stichting heeft de drie brieven tentoongesteld in het Anne Frank Huis. De rechtbank [IEF 15025] heeft voor recht verklaard dat de Stichting inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van het Fonds door de drie brieven zonder toestemming ten toon te stellen, maar het verbod tot tentoonstelling afgewezen. In hoger beroep wordt het tentoonstellingsverbod alsnog toegewezen. Het belang bij uitoefening van vrijheid van informatie van Anne Frank Stichting weegt niet zwaarder dan belang Anne Frank Fonds bij handhaving auteursrecht. De Stichting had vooraf om toestemming kunnen vragen. Het vonnis wordt in zoverre vernietigd.

3.11 De vorderingen van het Fonds, zoals hiervoor vermeld onder 3.2 sub 2 en 3, die ertoe strekken – samengevat – de Stichting te verbieden inbreuk te maken op zijn auteursrechten, op straffe van een dwangsom (sub 4), heeft de rechtbank afgewezen. Hiertegen is grief 1 gericht.

3.11.1 Volgens het Fonds is een algemeen verbod zoals gevorderd niet uitgesloten, mits gelet op het beginsel van proportionaliteit niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het door de Stichting ingeroepen belang bij de vrijheid van informatie en haar fysieke eigendomsrecht. In dit geval heeft de Stichting zich structureel schuldig gemaakt aan auteursrechtschending en schending van andere eigendomsrechten van het Fonds, terwijl haar proceshouding in dit geschil illustreert dat de Stichting niet van zins is in de toekomst wel voorafgaande toestemming te vragen voor gebruik van het object van de rechten van het Fonds. Het gevorderde algemene verbod betekent niet dat de Stichting de betreffende werken nooit meer kan gebruiken of tentoonstellen, maar houdt slechts in dat zij dat niet meer kan zonder toestemming en daaraan te stellen voorwaarden van de zijde van het Fonds, aldus het Fonds.

3.11.2 De door het Fonds gevorderde verboden zijn te breed en te onbepaald geformuleerd en bieden geen ruimte voor de, bij verboden als hier gevorderd, noodzakelijke concrete belangenafweging, rekening houdend met de omstandigheden van het geval. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zal bij iedere openbaarmaking – indien een daartoe strekkend verweer wordt gevoerd – een afweging dienen plaats te vinden tussen de belangen van het Fonds bij de handhaving van zijn (intellectuele) eigendomsrechten en de belangen van de Stichting zoals de vrijheid van informatie en het (fysieke) eigendomsrecht. Dat, in het algemeen, in zaken waarin sprake is van (dreigende) inbreuk op IE-rechten wel soortgelijke, ruim geformuleerde, verboden worden toegewezen doet daaraan niet af; hier doet zich immers de betrekkelijk uitzonderlijke figuur voor dat de auteursrechthebbende en de eigenaar van het fysieke stuk twee verschillende rechtspersonen zijn, terwijl voorts de aard en inhoud van de stukken en het daarvan te maken gebruik evenzeer uitzonderlijk zijn. Daarbij komt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de Stichting zich schuldig heeft gemaakt aan eerdere inbreuken waarvan de ernst en omvang dergelijke verstrekkende verboden rechtvaardigen.

Voor zover het Fonds heeft verzocht om een minder verstrekkend verbod op te leggen, dat in het gevorderde besloten ligt, acht het hof de vordering toewijsbaar in de zin dat de Stichting zal worden verboden de onderhavige drie brieven opnieuw op soortgelijke wijze, dat wil zeggen: in leesbare vorm, tentoon te stellen. Dat de Stichting dat eenmaal, gedurende meerdere maanden, heeft gedaan staat vast, dat zij daarmee onrechtmatig handelde evenzeer en over de wederzijdse belangen is in deze procedure uitvoerig gedebatteerd, welke stellingen het hof in de voorgaande overwegingen heeft betrokken. Dit verbod doet er overigens niet aan af dat, in het kader van een executiegeschil naar aanleiding van een overtreding, andere belangen kunnen worden aangevoerd. Het is vaste rechtspraak dat een dergelijke, thans niet voorzienbare, mogelijkheid aan een verbod niet in de weg hoeft te staan. De vorderingen komen slechts in zoverre voor toewijzing in aanmerking. Voor een dwangsom ziet het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De grief slaagt ten dele.

3.12 De conclusie is dat (daargelaten de hierna te behandelen grieven tegen de proceskostenveroordeling) het principaal appel faalt en grief 1 in incidenteel appel deels slaagt. Bij deze uitkomst heeft het Fonds geen belang meer bij een bespreking van zijn beroep op het droit de publication.