IEF 16719

Reputatieschadevergoeding van €10 per paar Converse-schoenen

Hof 's-Hertogenbosch 11 april 2017, IEF 16719 (Converse tegen Aspo en Dieseel) Parallelimport. Reputatieschade. Bij arrest van 22 september 2015 is Aspo tot het bewijs van die stelling toegelaten [IEF 15273]. bij nadere beschouwing blijken er hiaten te zitten in de hele keten, alsmede onduidelijkheden te bestaan waaromtrent geen uitsluitsel is verkregen. Zie de casuïstische voorbeelden in rechtsoverweging 15.5.7. Naar ’s hofs oordeel is Aspo niet geslaagd in het door haar te leveren bewijs dat de schoenen zoals die in 2008 in beslag zijn genomen met toestemming van Converse of haar licentiehoudster in de EU in het verkeer waren gebracht. Aspo moet merkinbreuk staken, opgave doen, recall. En veroordeelt Aspo om aan Converse ter zake van reputatieschade een schadevergoeding te betalen van € 10,-- per paar.

15.5.7.

Doch bij nadere beschouwing blijken er hiaten te zitten in de hele keten, alsmede onduidelijkheden te bestaan waaromtrent geen uitsluitsel is verkregen.

15.5.7.1. Het gaat om te beginnen bij de voornoemde stukken enkel om een administratieve verantwoording, maar er is geen enkele duidelijkheid gegeven over de feitelijke route van de schoenen. Slechts over het laatste stukje is iets bekend: de schoenen zouden worden afgeleverd bij Ebrex in [vestigingsplaats 3] . Maar waar die schoenen - feitelijk - vandaan kwamen is onbekend. Aannemende dat deze zijn vervaardigd in Vietnam (in officiële Converse--fabrieken), dan is onduidelijk hoe deze hebben gereisd. De facturen zijn te dien aanzien zo nietszeggend (“Delivery DDP ex warehouse Europe, EU customs cleared”) dat daaraan geen enkele duidelijkheid kan worden ontleend.

15.5.7.1. Voorts moet worden opgemerkt dat het bij alle producties in deze zaak gaat om fotokopieën, vaak van faxberichten, meestal van matige kwaliteit. Papier is geduldig, en buitenlandse bedrijven kunnen met betrekkelijk weinig risico’s uitspraken doen welke zich vanuit Nederland bezwaarlijk laten verifiëren; dat geldt overigens net zo goed voor diverse verklaringen waarop Converse zich beroept, maar het gaat thans primair om de door Aspo aangedragen bewijzen.
Bij dit alles komt dat het in zaken als de onderhavige vrijwel per definitie gaat om zaken welke de betrokkenen bij voorkeur zoveel mogelijk verborgen houden. Namaak is verboden en strafbaar; parallelimport van buiten de EU is weliswaar als regel niet strafbaar maar zal enerzijds Converse aanleiding geven tot het ondernemen van actie terwijl anderzijds de ontvanger dan geen bescherming geniet van art. 2.23 BVIE; parallelimport binnen de EU is volkomen legaal maar het is bekend dat de merkrechthouders daar niet om staan te juichen. Dit alles betekent dat rekening moet worden gehouden met de niet geringe kans dat schriftelijke stukken gefingeerd zijn.

15.5.7.1. Verder is nog steeds niet duidelijk wat de positie is van Triple Jump Limited Cyprus. Als gezegd wordt Cyprus niet genoemd op de overgelegde uitdraai van de website van Triple Jump Grupa. Van enige onderlinge band blijkt niet en daaromtrent is ook niets gesteld, zulks ofschoon het hof [voormalige directeur/eigenaar Dieseel] daarover uitdrukkelijk heeft bevraagd; ook [voormalige directeur/eigenaar Dieseel] kon niet verklaren waarom een bedrijf in Cyprus als importeur voor Slovenië zou optreden. En gegeven het feit dat er een vertegenwoordiger voor (onder meer) Slovenië, waar Odlicen is gevestigd, bestond, valt bij gebreke van enige uitleg ook niet in te zien waarom een Cypriotisch bedrijf voor Slovenië als importeur zou optreden.

15.5.7.1. Ook is de echtheid van de factuur van Triple Jump Cyprus gemotiveerd door Converse betwist, aan de hand van een als prod. 53 overgelegde verklaring van [getuige] te Cyprus (wiens bedrijf is gevestigd in hetzelfde gebouw als Triple Jump Limited, Cyprus). Aspo betwist de onafhankelijkheid van [getuige] , doch zij miskent daarbij dat in dit stadium slechts aan de orde is dat geconstateerd moet worden dat de echtheid van die factuur gemotiveerd wordt betwist, en niet aan de orde is of al dan niet zou vaststaan dat die factuur vals is.

15.5.7.1. Converse heeft er ten slotte op gewezen dat de factuur vermeldt “EXW Ljubljana” (ex warehouse Ljubljana) terwijl de advocaat van Ebrex op 2 februari 2009 heeft verklaard dat Ebrex (namens of ten behoeve van Aspo) de schoenen heeft ingeklaard (hetgeen echter niet meer nodig zou zijn bij ex warehouse levering in Slovenië).

15.5.8.

Bij deze stand van zaken is naar ’s hofs oordeel Aspo niet geslaagd in het door haar te leveren bewijs dat de schoenen zoals die in 2008 in beslag zijn genomen met toestemming van Converse of haar licentiehoudster in de EU in het verkeer waren gebracht. Aan Aspo komt de bescherming van art. 2.23 lid 3 BVIE dus niet toe en het hof had reeds geoordeeld, zie r.o. 9.5.7 van het arrest van 24 juni 2014, dat van toestemming als bedoeld in art. 2.20 lid 1 aanhef BVIE geen sprake was. In dat arrest had het hof voorts reeds geoordeeld, r.o. 9.5.2, dat vast stond dat de in beslag genomen schoenen waren voorzien van het merk van Converse en ofwel “authentiek” - als in dat arrest gedefinieerd in r.o. r.o. 9.4.5 - en daarmee identiek, ofwel niet authentiek maar desondanks identiek of vrijwel identiek (dat wil zeggen: identiek aan schoenen van Converse) waren. Mitsdien staat de inbreuk vast.