DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 6 juli 2017
IEF 16928

‘RECHTERS, STEL VRAGEN AAN EUROPEES HOF!’

Nederlandse rechters moeten meer prejudiciële vragen stellen aan het Europese Hof van Justitie. “Die dragen bij aan de ontwikkeling van het Unierecht in alle lidstaten van de Europese Unie,” zegt Sacha Prechal. De rechter van het Europese Hof van Justitie reageert daarmee op het vorige week gepresenteerde jaarverslag over 2016 van het Hof waaruit blijkt dat Nederland uit de top 3 is geduikeld van landen met de meeste prejudiciële verwijzingen. In 2015 was Nederland nog derde.

Nationale rechters kunnen een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie stellen als ze duidelijkheid willen over de interpretatie van Unierecht of geldigheid van Europese maatregelen. In totaliteit nam het aantal prejudiciële verzoeken wel toe: van 537 in 2012 tot 575 in 2016.

De Nederlandse strafrechter en hoogleraar Europese rechtspleging Marc de Werd (Gerechtshof Amsterdam en Universiteit Maastricht) zegt dat vooral Nederlandse strafrechters een stap extra moeten zetten. “Ze zijn vaak huiverig om een vraag aan het Hof te stellen,” betoogt hij.

In 2015 stelden Nederlandse rechters nog 40 prejudiciële vragen aan het Hof, maar in 2016 gingen er nog maar 26 adviesvragen naar Luxemburg. Nederland laat daarmee Duitsland (84 vragen), Italië (62) en Spanje (47) voorgaan.

OP EIGEN HOUTJE
Een zorgwekkende ontwikkeling, vindt Prechal, zeker in het licht van de Nederlandse verwijzingspraktijk in de afgelopen jaren. “Prejudiciële vragen zijn voor ons de kans om opheldering te verschaffen over juridische onderwerpen. Als we over een onderwerp te weinig of geen vragen krijgen, bestaat het risico dat rechters op eigen houtje het Unierecht gaan uitleggen. Dus als je twijfelt: stel de vraag!”

Met een aantal maatregelen wil het Hof rechters ondersteunen bij het stellen van vragen aan Luxemburg. Op de website van het Hof staan aanbevelingen over hoe en in welke gevallen rechters kunnen verwijzen. “De tekst daarvan is in 2016 grondig herzien,” zegt Prechal. Verder wil het Hof alle prejudiciële verwijzingen publiceren op een website.

Ook start het Hof van Justitie met een afgeschermde website waarop rechters uit verschillende landen van gedachten kunnen wisselen. Onderzoeksnota’s van het hof Europeesrechtelijk interessante nationale uitspraken zullen daar worden bekendgemaakt. Prechal: “We hopen zo de interpretatie van EU-recht te vergemakkelijken.”

TIPS EN TRUCS
Marc de Werd, raadsheer bij het Gerechtshof in Amsterdam en hoogleraar Europees Recht aan de Universiteit van Maastricht betwijfelt of het zin heeft dat het Hof zijn aanbevelingen verduidelijkt. “Ik denk dat in Nederland wel duidelijk is hoe de procedure formeel in elkaar steekt,” meent hij. “Er zijn handleidingen beschikbaar met tips en trucs. Aan de informatie zal het niet liggen.”

Het plaatsen van onderzoeksnota’s is wel nuttig, denkt De Werd. “In de praktijk blijken rechters koudwatervrees te hebben voor het EU-recht. Tot voor kort kwamen ook lang niet alle rechters ermee in aanraking.”

Er is volgens De Werd binnen de Rechtspraak een tweedeling tussen players en repeatplayers: “Rechters in het vreemdelingenrecht, de internationale rechtshulpkamer, belastingrechters, de sociale zekerheid en bij het College voor Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) hebben veel met EU-recht te maken. Aan de andere kant is er een grote groep rechters in het strafrecht, bestuursrecht en het civiele recht die zelden een Europeesrechtelijke zaak zien, of deze niet als zodanig erkennen.”

Die laatsten zullen in hun carrière waarschijnlijk nooit een prejudiciële vraag stellen, vermoedt De Werd, en maken dus ook geen Europese vlieguren. “Die ene keer dat het EU-recht mogelijk een vraag aan Luxemburg rechtvaardigt, wordt dan gezien als een onevenredige tijdsinvestering. Reden te meer om in de rechtspraak ervoor te zorgen dat de toepassing van het EU-recht niet afhankelijk is van toevalstreffers of hobbyisme.”

Daarom pleit De Werd voor meer regie in het strafrecht. Hij constateert dat Nederlandse strafrechters vaak huiverig zijn om een vraag aan het Hof te stellen. Rechters zijn vooral bevreesd dat een procedure daardoor ernstige vertraging oploopt. “De Hoge Raad overwoog in 2015 zelfs dat prejudiciële vragen een doeltreffende en voortvarende strafrechtspleging ernstig kunnen belemmeren,” zegt De Werd. Hij wijst erop dat Nederlandse advocaten bij de Europese Commissie hebben geklaagd dat Nederlandse rechters te weinig verwijzen.

De Werd vindt dat Nederlandse strafrechters zeker de hand in eigen boezem moeten steken. “Wij moeten ons afvragen hoe wij onze verantwoordelijkheden onder het EU-recht beter vorm kunnen geven. We moeten voorkomen dat noodzakelijke prejudiciële vragen in het strafrecht als hete aardappels worden doorgeschoven van eerstelijns- naar appel- en cassatierechters.”

“De realiteit is dat wij als rechters ons nog weleens laten verrassen door ontwikkelingen in het Europese recht, ook als wij die kunnen zien aankomen,” meent De Werd. “In plaats van afwachten kunnen strafrechters ook proactief in beweging komen. Bijvoorbeeld door zaken actief te monitoren en een strategie en een taakverdeling tussen gerechten te bepalen.”

Nederlandse rechters moeten volgens De Werd nadenken over wat een goed moment is om uitleg te vragen aan het EHvJ en hoe de vraag moet worden geformuleerd om het benodigde antwoord te krijgen.

In 2016 behandelde het Hof 702 zaken. Daarvan gingen er 80 over intellectuele eigendom, 65 over vrijheid van verkeer en vestiging en 56 over mededinging en staatssteun. Nederland leverde in totaal 45 zaken. De meest spraakmakende daarvan was Sanoma/GeenStijl, over het hyperlinken naar naaktfoto’s van Britt Dekker.

In 2016 deed de instelling Hof van Justitie van de EU in totaal 1628 zaken af: 924 Gerecht 924 zaken en 702 bij het Hof van Justitie.

Artikel van Sacha Prechal, online platform Mr.