IEF 17507

Procedure waterballonvuller 'Bunch-O-Balloons' geschorst vanwege EUIPO nietigheidsprocedure

Rechtbank Den Haag 14 februari 2018, IEF 17507; ECLI:NL:RBDHA:2018:1661 (Tinnus tegen X) Modellenrecht. Tinnus is houdster van tien Gemeenschapsmodelrechten op het uiterlijk van de waterballonvuller 'Bunch-O-Balloons'. [zekerheidsincident tot ECLI:NL:RBDHA:2017:15624 €35.618,00] De douane in Rotterdam heeft beslag gelegd op een partij vergelijkbare waterballonvullers van X. Tinnus stelt dat X inbreuk maakt op haar intellectuele eigendomsrechten. Omdat alle uiterlijke kenmerken van de modellen van Tinnus volgens X uitsluitend door een technische functie zijn bepaald, heeft hij bij het EUIPO een nietigheidsprocedure aanhangig gemaakt. Tinnus heeft X gedagvaard voor de rechtbank en vordert een verklaring voor recht van inbreuk en een verbod op inbreuk. De rechtbank schorst de procedure totdat het EUIPO onherroepelijk op de ingestelde vordering tot nietigverklaring zal hebben beslist.

3.2. De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de onderhavige procedure aanhangig werd gemaakt (8 mei 2017), door X bij het EUIPO reeds een vordering tot nietigverklaring van de modellen -0001, -0002, -0005, -0006, -0007 en -0008 was ingesteld. Deze nietigheidsprocedure is gevoegd met een reeds eerder bij het EUIPO aanhangig gemaakte procedure waarin de geldigheid van alle modelregistraties van Tinnus wordt aangevochten. Tinnus heeft hier in haar dagvaarding meteen op gewezen en onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 91 lid 1 GModVo aangevoerd dat dit als consequentie heeft dat de gehele procedure dient te worden geschorst. 

3.8. Bijzondere redenen om het modelrechtelijke geschil niettemin geheel of gedeeltelijk voort te zetten, zoals X bepleit, acht de rechtbank niet aanwezig. Ten aanzien van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 15 september geldt daartoe dat het daarin gegeven voorlopige oordeel onvoldoende is om reeds nu en buiten het EUIPO om, te kunnen concluderen dat de modelrechten van Tinnus evident nietig zijn. Ten aanzien van de overige door X aangevoerde omstandigheden geldt daartoe dat deze alle dienen af te stuiten op de omstandigheden dat X er zelf voor heeft gekozen meteen het EUIPO te adiëren en dat zij er daarnaast bewust van heeft afgezien haar belangen tenminste gedeeltelijk veilig te stellen door middel van een kort geding of door het instellen van provisionele vorderingen. Dat Tinnus de samenloopregeling van artikel 91 GModVo aan de orde heeft gesteld, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen. Overigens zou de vraag of de procedure moet worden geschorst ook zonder een daartoe strekkend verzoek van Tinnus aan de orde zijn gekomen nu de rechter dit blijkens de tekst van artikel 91 lid 1 GModVo dit (ook) ambtshalve dient te onderzoeken.