IEF 16952

Oud-burgemeester niet in haar eer en goede naam aangetast door rapporten BING

Rechtbank Midden-Nederland 12 juli 2017, IEF 16952; ECLI:NL:RBMNE:2017:3456 (X tegen Bureau Integriteit B.V.) Mediarecht. Zie eerder [IEF 16895]. Een oud-burgemeester heeft onvoldoende onderbouwd dat het onderzoek van het Bureau Integriteit (BING) onzorgvuldig is. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist. De gemeenteraad liet in april 2011 door BING onderzoek doen naar het handelen van de burgemeester. BING concludeerde dat er sprake was van belangenverstrengeling, machtsmisbruik en een angstcultuur. Nog voordat het rapport werd uitgebracht aan de gemeenteraad trad de burgemeester af. Volgens haar is het uitgebrachte rapport onzorgvuldig en is BING aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Het rapport zou zeven onjuistheden en ten onrechte getrokken conclusies bevatten. De rechtbank oordeelt dat BING op twee punten tekort is geschoten. In het rapport staat ten onrechte dat de oud-burgemeester niet heeft gereageerd op twee interviewverslagen. Daarnaast wordt in het rapport geconcludeerd dat het optreden van de oud-burgemeester heeft geleid tot een versterking van de boodschap dat voorzichtigheid moet worden betracht in contacten met de aannemer. De rechtbank stelt vast dat zij zich op verschillende momenten tegenover verschillende personen negatief heeft uitgelaten over de aannemer. De conclusie echter dat dit zorgde voor een substantiële afname van opdrachten aan de aannemer is te verregaand. De overige conclusies uit het rapport houden stand. De slotsom is dat de oud-burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een onzorgvuldig uitgevoerd onderzoek. Dat het rapport niet op alle onderdelen kan worden gevolgd, maakt nog niet dat zij als gevolg daarvan in haar eer en goede naam is aangetast.

4.53. [eiseres] stelt dat BING na het uitkomen van het rapport meerdere malen nadrukkelijk in de media heeft gewezen op de zorgvuldigheid van het verloop van het onderzoek en de juistheid/betrouwbaarheid van de uitkomsten ervan. [eiseres] verwijst naar de verklaringen op de website van BING van 7 juli 2014, 10 februari 2015 en 2 april 2015. Gebleken is echter dat van een zorgvuldig onderzoek geen sprake is geweest en dat de conclusies incorrect en onbetrouwbaar zijn. Volgens [eiseres] hebben deze verklaringen van BING tevens geleid tot een verdere aantasting van de eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer van haar. [eiseres] stelt zich daarbij op het standpunt dat op geen enkel moment de opmerkingen van BING ter zake van de zorgvuldigheid van het onderzoek en de juistheid van de conclusies correct zijn geweest. Verder heeft BING in haar verklaring van 10 februari 2015 onjuistheden verkondigd over de inhoud van de uitspraak van het CBb. Hiermee heeft BING haar standpunt over het verloop van het onderzoek en de daaruit getrokken conclusies nogmaals onderstreept en in de openbaarheid gebracht. Ook door deze onjuistheden is [eiseres] in haar rechten geschaad.

4.54. BING betwist dat sprake is van onjuiste of onrechtmatige berichtgeving. Volgens BING is de schriftelijke verklaring van 7 juli 2014 een weerwoord op het interview van [eiseres] in Volkskrant Magazine. De verklaring is geplaatst vóór de uitspraak van het CBb, maar na de uitspraak van de Accountantskamer, die alle klachten van [eiseres] ongegrond had verklaard. Door de rechtbank Midden-Nederland is bij vonnis van 1 april 2015 geoordeeld dat de uitlatingen van BING in deze verklaring niet zijn aan te merken als onrechtmatig tegenover [eiseres] . De schriftelijke verklaring van 10 februari 2015 is als weerwoord op haar website geplaatst naar aanleiding van de uitzending van Brandpunt. Betwist wordt dat deze verklaring de onjuistheden zou bevatten, zoals [eiseres] stelt. De verklaring van 2 april 2015 is geplaatst naar aanleiding van het voor BING positieve vonnis van 1 april 2015 van de rechtbank Midden-Nederland. In deze verklaring wordt zakelijk het vonnis door BING besproken. [eiseres] stelt niet op welk onderdeel dan wel op welke onderdelen deze verklaring onjuist volgens haar is. Indien en voor zover wordt geoordeeld dat de verklaring(en) deels onjuist zou(den) zijn, dan betwist BING dat sprake is van onrechtmatige publicaties. Een eventuele onjuistheid is daarvoor te marginaal, zeker afgezet tegen de onjuiste verklaringen die [eiseres] heeft afgegeven. Volgens BING zijn de weerwoorden naar het archief op haar website geplaatst en betwist wordt dat [eiseres] nog enig belang heeft bij de door haar gevorderde rectificatie.

4.55. De rechtbank overweegt dat hiervoor is geoordeeld dat BING op bepaalde punten niet zorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat een partij in publieke uitingen als de eigen mening verkondigt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld, terwijl de rechter die daarover moet oordelen daar later anders over blijkt te oordelen, maakt de publicatie nog niet onrechtmatig. Dit onderdeel van de vordering moet bij gebreke van een deugdelijke grondslag dan ook worden afgewezen.

4.56. De slotsom is dat dat BING niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld op grond waarvan de vordering onder I van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.57. [eiseres] vordert onder II veroordeling van BING om de berichten over [eiseres] op haar website binnen twee dagen na het wijzen van vonnis te verwijderen en te rectificeren. [eiseres] voert ter onderbouwing aan “vaststaat dat de eer en goede naam van [eiseres] zonder rectificaties van de kant van BING nog ernstiger (en blijvend) wordt aangetast”. Geoordeeld is dat van onrechtmatige handelen geen sprake is, zodat van enige aantasting in de eer en goede naam van [eiseres] op die grondslag geen sprake kan zijn. Dit leidt ertoe dat de vordering onder II eveneens wordt afgewezen.