IEF 17261

Opvragen bescheiden zonder enige beperking in onderwerp en periode is onvoldoende bepaald

Hof 's-Hertogenbosch 21 juni 2016, IEF 17261; ECLI:NL:GHSHE:2016:2477 (Fishing Expedition). Uit de stellingen van geïntimeerde volgt niet genoegzaam waarom de gevraagde bescheiden, naast de al beschikbare bescheiden, voor de beoordeling van het geschil relevant zijn. Zo wordt overlegging gevraagd van beleidsnotities, correspondentie, notulen directie en RvT, jaarverslagen, plannen van aanpak, beoordelingen etcetera zonder enige beperking in onderwerp en periode (weken, maanden, jaren?). De verlangde bescheiden zijn onvoldoende bepaald.

6.4. [..] De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een "fishing expedition" te voorkomen. Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.

6.5. Het hof is van oordeel dat de incidentele vordering zoals deze door [geïntimeerde] is ingesteld, in ieder geval niet voldoet aan het hierboven onder (ii) genoemde vereiste. De door [geïntimeerde] gevorderde bescheiden zijn niet zodanig concreet omschreven dat duidelijk is op welk specifiek stuk aanspraak wordt gemaakt, maar zijn slechts algemeen aangeduid, zonder afbakening naar onderwerp, datum of tijdvak. Zo wordt overlegging gevraagd van beleidsnotities, correspondentie, notulen directie en RvT, jaarverslagen, plannen van aanpak, beoordelingen etcetera zonder enige beperking in onderwerp en periode (weken, maanden, jaren?). Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt ook niet genoegzaam waarom de gevraagde bescheiden, naast de al beschikbare bescheiden, voor de beoordeling van het geschil relevant zijn. Voor zover [geïntimeerde] afschrift vordert van andere bescheiden, zijn die bescheiden naar het oordeel van het hof onvoldoende bepaald. Voor zover [geïntimeerde] het doel heeft om een reeds opgeworpen grief dan wel verweer met de door hem gevorderde en verkregen informatie nader te onderbouwen, is de vordering ex artikel 843a Rv prematuur. Dat op [geïntimeerde] in de hoofdzaak op enig moment (tegen)bewijs zal komen te rusten die hem noodzaakt overlegging van stukken door WSG te vorderen staat op dit moment geenszins vast en kan zo nodig te zijner tijd aan de orde worden gesteld. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaald zijn, zodat deze vordering reeds hierop strandt. In het midden kan blijven of en in hoeverre aan de overige twee vereisten van artikel 843a Rv is voldaan en of zich een van de uitzonderingen voordoet.

6.6. Het hof ziet evenmin aanleiding de vordering op grond van artikel 21 Rv toe te wijzen. Als uitgangspunt mag van een partij in een civiele procedure openheid van zaken worden verwacht. In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Er bestaat echter voor partijen geen algemene exhibitieplicht en een partij behoeft onder hem rustende bescheiden in beginsel niet aan een ander ter inzage af te geven. Artikel 843a Rv maakt op dit beginsel een uitzondering voor het geval dat aan de in dit artikel gestelde vereisten is voldaan. Zoals het hof hiervoor onder 6.5. heeft overwogen, is niet aan een van de voor toewijzing in de incidentele vordering noodzakelijke vereisten voldaan en zal de vordering op grond van dit artikel worden afgewezen.