IEF 17020

Ontbreken van licentieovereenkomst levert geen gegronde reden voor twijfel omtrent juiste gang van zaken Body Engineers

Hof Amsterdam 7 juli 2017, IEF 17020; ECLI:NL:GHAMS:2017:2701 (Eisenhouwer tegen Body Engineers c.s.) Merkenrecht. Eisenhower heeft Uniemerk Body Engineers gedeponeerd. Eisenhouwer en Madrugada zijn beide aandeelhouders van Body Engineers. Madrugada is voornemens een licentieovereenkomst te sluiten met Body Engineers met betrekking tot de rechten op het logo van Body Engineers. Geschil omtrent bestaan van licentieovereenkomst en hoogte van vergoeding. Verzoek tot gelasten van onderzoek bij Body Engineers. Ontbreken van licentieovereenkomst tussen Eisenhower en Madrugada wordt bevestigd. Bij rechtbank Den Haag is reeds een procedure aanhangig over de rechthebbende van het beeldmerk. Afwijzing verzoek: geen gegronde reden voor twijfel aan juist beleid en juiste gang van zaken. Hoogte van licentievergoeding doet hier niets aan af. 

3.7. De hoogte van de vastgestelde bedragen ter zake van managementvergoeding en licentievergoeding is, mede bezien in het licht van de door Body Engineers en Madrugada daarop gegeven toelichting en de door Body Engineers behaalde resultaten, in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat hierin reeds op zichzelf gegronde redenen gelegen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken. De hoogte van deze bedragen maakt ook het oordeel in 3.6 niet anders.

3.8 Nu Madrugada en Eisenhower hebben bevestigd dat er nog geen licentieovereenkomst tussen Body Engineers en Madrugada/ [B] is gesloten en er reeds een procedure tussen partijen bij de rechtbank Den Haag aanhangig is over onder andere de vraag of [B] of Eisenhower/ [A] de rechthebbende op het beeldmerk ‘Body Engineers’ is, levert het verwijt onder 3.1 (ii) geen gegronde reden op om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Body Engineers te twijfelen.

3.15 Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat het verzoek van Eisenhower tot het gelasten van een onderzoek bij Body Engineers wordt afgewezen. Aan een beoordeling van de vraag of de onmiddellijke voorzieningen moeten worden toegewezen wordt dan niet toegekomen. Bij deze stand van zaken kan bespreking van de – overigens pas ter zitting naar voren gebrachte – stelling van Body Engineers c.s. dat Eisenhower het enquêteverzoek rauwelijks heeft ingediend, achterwege blijven. De Ondernemingskamer zal Eisenhower als de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten van het geding.