IEF 17235

Inhoud onvriendelijke twitterberichten zijn geen aanleiding de uitingsvrijheid te beperken

Rechtbank Amsterdam 1 november 2017, IEF 17235; ECLI:NL:RBAMS:2017:7812 (Eiser tegen Telegraaf Media Groep) Mediarecht. Eiser heeft Loterijverlies B.V opgericht, onder meer als doel juridische bijstand aan gedupeerden van kansspelen te verlenen. Een journalist van de Telegraaf heeft het volgende bericht getweet: "Waarom moest je de tv-ploeg van EenVandaag in het vliegtuig naar Guernsey nou weer uitschelden, [eiser] …? #NietChic”. Op de website van Telegraaf is een artikel gepubliceerd waarin eiser ervan wordt beschuldigd een advocaat aangevlogen te hebben en met "Ik maak je kapot" en "ik maak je dood" zou hebben gedreigd. De rechtbank oordeelt dat het artikel op de website niet onrechtmatig jegens eiser is omdat het voldoende steun in de feiten vindt. De twitterberichten zijn persoonlijk van aard en niet feitelijk. De berichten zijn niet vriendelijk van toon. De inhoud is echter geen aanleiding de uitingsvrijheid van gedaagde te beperken, omdat ze binnen de grenzen vallen. Mede door de spottende toon zal het publiek deze met een korreltje zout nemen. Van onrechtmatig handelen jegens eiser is geen sprake. De vorderingen worden afgewezen. 

De publicatie op de website van De Telegraaf van 3 november 2016
4.9. Volgens [eiser] is deze publicatie onrechtmatig, omdat – kort samengevat – hij [naam advocaat] niet heeft bedreigd.

4.10. [gedaagde 1] c.s. heeft aangevoerd dat [gedaagde 1] op 3 november 2016 bij de rechtbank Noord-Holland aanwezig was om verslag te doen van de zitting waarin het wrakingsverzoek van [eiser] werd behandeld. Terwijl [gedaagde 1] buiten stond te wachten, liep [naam advocaat] zichtbaar aangeslagen naar buiten en vertelde [gedaagde 1] wat was voorgevallen. In het bijzijn van [gedaagde 1] belde [naam advocaat] de politie. Vlak daarna arriveerde de politie. Op verzoek van [naam advocaat] werd [eiser] niet aangehouden, omdat de zitting nog moest plaatsvinden. Na de zitting deed [naam advocaat] aangifte van bedreiging door [eiser] . Aldus is volgens [gedaagde 1] c.s. in het artikel van 3 november 2016 waarheidsgetrouw samengevat wat [naam advocaat] aan [gedaagde 1] en aan de politie heeft verteld, direct nadat het incident had plaatsgevonden. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat wat is in het artikel op de website van De Telegraaf van 3 november 2016 is opgenomen, voldoende steun in de feiten vindt. Van onrechtmatigheid is in zoverre geen sprake.

4.11. Nu [eiser] voor het overige niets heeft aangevoerd waarom deze publicatie onrechtmatig zou zijn, zal zijn vordering voor zover deze op dit artikel betrekking heeft, worden afgewezen.

4.12. Nu de inhoud van het artikel op de website van De Telegraaf niet onrechtmatig jegens [eiser] is, zal ook zijn vordering jegens [gedaagde 2] , als hoofdredacteur van De Telegraaf, worden afgewezen. Hierna zal de vordering van [eiser] jegens [gedaagde 1] verder worden beoordeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet valt in te zien waarom [gedaagde 2] als hoofdredacteur van De Telegraaf mede aansprakelijk zou zijn voor wat [gedaagde 1] via zijn twitteraccount publiceert.

De twitterberichten
4.13. [gedaagde 1] heeft ter onderbouwing van wat in zijn twitterbericht van 17 juni 2016 is vermeld, de e-mail van 23 februari 2017 van [naam redacteur 1] aan [gedaagde 1] in het geding gebracht. [naam redacteur 1] verklaart daarin waarom hij aanvankelijk op [eiser] heeft gereageerd, zoals gedaan per Whatsapp op 18 juni 2016. Gelet op de verklaring in de e-mail van 23 februari 2017 van [naam redacteur 1] aan [gedaagde 1] – waarvan [eiser] de inhoud niet, althans niet gemotiveerd betwist – is dit twitterbericht feitelijk juist. In zoverre is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] c.s. geen sprake.

4.14. De twitterberichten van 14 september, 7 oktober en 8 oktober 2016 (zie 2.9 tot en met 2.11) zijn persoonlijk van aard en niet feitelijk. Partijen zouden er goed aan doen dergelijke berichten voortaan achterwege te laten. De berichten zijn ook niet vriendelijk van toon. Hun inhoud is echter geen aanleiding de uitingsvrijheid van [gedaagde 1] te beperken, omdat ze binnen de grenzen daarvan vallen. Mede door de spottende toon zal het publiek deze berichten met een korreltje zout nemen.

Conclusie
4.21. Uit het voorgaande volgt dat de afweging van de wederzijdse belangen, in het kader van artikel 10 lid 2 EVRM en artikel 6:162 BW, hier in het voordeel van de door artikel 10 beschermde uitingsvrijheid van [gedaagde 1] c.s. uitvalt. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] c.s. tegen [eiser] is, ook gelet op het belang van de bescherming van [eiser] persoonlijke levenssfeer, geen sprake. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.