IEF 16802

HvJ EU: wanneer een kleindochter vennootschap een 'EU-vestiging' is

HvJ EU 18 mei 2017, IEF 16802; IEFbe 2178; C-617/15; ECLI:EU:C:2017:390 (Hummel tegen Nike) Procesrecht. Bevoegheid. Merkenrecht. Verzoekster is een in Denemarken gevestigde sportartikelenfabrikant en houdster van een internationaal beeldmerk. HvJ EU: Artikel 97, lid 1 UniemerkVo moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde juridisch onafhankelijke vennootschap die een dochtervennootschap is van een moedermaatschappij die niet in de EU is gezeteld, een „vestiging” in de zin van deze bepaling van deze moedermaatschappij vormt, wanneer deze dochter een centrum van werkzaamheid is dat, in de lidstaat waar zij is gelegen, beschikt over een vorm van werkelijke en stabiele aanwezigheid van waaruit een bedrijfsactiviteit wordt verricht, en dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van de moedermaatschappij.

 

Gestelde vraag [IEF 15588]:

Onder welke omstandigheden moet een juridisch zelfstandige, in een lidstaat van de Unie gevestigde kleindochter van een onderneming die zelf geen zetel heeft in de Unie, worden aangemerkt als ,vestiging’ van die onderneming in de zin van artikel 97, lid 1, van verordening nr. 207/2009?