IEF 16656

HvJ EU: Artikel 5 InfoSocrichtlijn verzet zich tegen transmissie via gemeenschappelijke antenne-installatie met minder dan 500 verbonden deelnemers

HvJ EU 16 maart 2017, IEF 16656; IEFbe 2115; ECLI:EU:C:2017:218 (AKM tegen Zürs.net) Auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij. Uitzending van televisieprogramma’s via een lokaal kabelnetwerk. Nationale regeling die voorziet in uitzonderingen voor installaties die de toegang voor maximaal 500 abonnees mogelijk maken en voor de doorgifte van publieke omroepuitzendingen op het nationale grondgebied. HvJ EU:

Artikel 3, lid 1 [InfoSocRl] en artikel 11 bis [BC] moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de nationale omroeporganisatie, door middel van kabels die op het nationale grondgebied liggen, geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, voor zover deze doorgifte een louter technisch communicatiemiddel vormt en daarmee door de auteur van het werk rekening is gehouden bij de oorspronkelijke toestemming tot mededeling ervan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan;

Artikel 5 van richtlijn 2001/29, en in het bijzonder lid 3, onder o), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan voor een omroepuitzending via een gemeenschappelijke antenne-installatie geen toestemming van de auteur uit hoofde van het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek hoeft te worden verkregen, wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten, en dat deze wettelijke regeling bijgevolg moet worden toegepast in overeenstemming met artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 

Gestelde vraag [IEF 15906]

Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn [2001/29], dan wel artikel 11 bis, lid 1, punt 2, van de Berner Conventie, aldus worden uitgelegd dat een regeling waarbij de doorgifte van omroepuitzendingen via ‚gemeenschappelijke antenne-installaties’ zoals die van verweerster in het hoofdgeding:
a)      niet wordt beschouwd als een nieuwe omroepuitzending wanneer bij de installatie niet meer dan 500 abonnees zijn aangesloten en/of
b)      wordt beschouwd als een integrerend onderdeel van de oorspronkelijke omroepuitzending wanneer het de gelijktijdige, volledige en onveranderde doorgifte van omroepuitzendingen van de Österreichische Rundfunk door middel van kabels op het nationale grondgebied (Oostenrijk) betreft,
en deze vormen van gebruik evenmin onder een ander uitsluitend recht van mededeling aan het publiek met een element van afstand in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vallen, en derhalve niet afhankelijk zijn van de toestemming van de auteur en hiervoor dus ook geen vergoedingsplicht geldt, strijdig is met het Unierecht dan wel met de Berner Conventie als binnen de rechtsorde van de Unie vallende internationale overeenkomst?