IEF 17325

Hof bevestigt dat een column, hoewel soms beledigend, niet nodeloos grievend is

Hof Den Haag 5 december 2017, IEF 17325; ECLI:NL:GHDHA:2017:3375 (Adres Pedoseksueel). Mediarecht. In 2015 is een column getiteld: "De burgemeester tobt met een dilemma" verschenen over 4000 euro schadevergoeding te betalen aan de veroordeelde pedoseksueel, waarvan de burgemeester het adres van bekend had gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat de column ontegenzeglijk kwetsend was, maar niet nodeloos grievend. Het Hof is het met de kantonrechter [IEF 15765] eens dat de vrijheid van meningsuiting dient te prevaleren op het privacyrecht van de veroordeelde. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat er sprake is van een maatschappelijk relevant onderwerp en dat de uitlatingen van de columnist niet de bedoeling had om te kwetsen. Tevens was appellant voor de publicatie van de column al onderwerp geweest van zelfgekozen media-aandacht. Verschillende uitdrukkingen zijn beledigend of sarcastisch (“psychopathische provocateur”, “hij is ziek, zwak en zielig”), maar in de gegeven context niet nodeloos grievend of bedoeld om te kwetsen.

8. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] en haar columnist [X] in dit geval dient te prevaleren.

9. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat sprake was van een actueel maatschappelijk relevant onderwerp, te weten een rechterlijke uitspraak waarbij de gemeente [naam gemeente] was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] wegens het bekendmaken van zijn woonplaats in die gemeente. Die bekendmaking had geleid tot publieke onrust en tot verontwaardiging bij omwonenden. Kort voor het verschijnen van de column was bekend geworden dat de gemeente niet in hoger beroep zou gaan tegen de uitspraak. De columnist vroeg – mede gezien de titel van de column – aandacht voor het dilemma waarin de burgemeester van [naam gemeente] zich bevond ten aanzien van de vestiging van [appellant] in de gemeente: enerzijds het honoreren van het recht van [appellant] om, kort gezegd, een nieuwe start te maken, anderzijds het recht van de omwonenden op informatie omtrent het feit dat een veroordeelde zedendelinquent in hun omgeving was komen wonen. De columnist had kritiek op de hiermee verband houdende opstelling en het gedrag van [appellant] . De – hier en daar ontegenzeggelijk scherpe en zelfs beledigende – uitlatingen en bewoordingen van de column vormen een onderbouwing van deze kritiek en van het geschetste dilemma. Het hof deelt dan ook het oordeel van de kantonrechter onder 5.3 van het bestreden vonnis dat de uitlatingen van [X] niet tot doel hadden om [appellant] te kwetsen.

12. Wat betreft de specifiek gewraakte passages en kwalificaties overweegt het hof als volgt. Weliswaar is de uitdrukking “psychopathische provocateur” beledigend en uitvergroot, maar naar het oordeel van het hof in de gegeven context niet nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Voor de lezer is redelijkerwijs duidelijk dat met “psychopathisch” niet is bedoeld een medische diagnose te stellen. Met die term wordt in een context als de onderhavige (slechts) een persoonlijk waardeoordeel over iemand gegeven, evenals wanneer wordt gezegd dat iemand “niet spoort” of “gestoord is”. De uitdrukking “provocateur” acht het hof evenmin nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Daarbij weegt mee dat [appellant] zich voorafgaand aan de verschijning van de column daadwerkelijk provocerend had opgesteld, door een foto van kinderen van het kinderdagverblijf waar hij boven woonde, op zijn weblog te plaatsen en door het plaatsen van een foto van een slapend jongetje op zijn blog na een nachtelijke demonstratie van buurtbewoners bij zijn huis, met daarbij de tekst: “p.s., mijn logé sliep er gelukkig doorheen zoals u ziet” (prod. 7). Dat, naar [appellant] heeft aangevoerd, dit reacties waren op een op zichzelf provocerend uitje van het kinderdagverblijf tot bij zijn raam respectievelijk op genoemde demonstratie, doet er niet aan af dat die reacties van [appellant] (ook) provocerend waren. Ook na het verschijnen van de column heeft [appellant] zich provocerend gedragen door bijvoorbeeld een blogbericht d.d. 24 december 2015 te plaatsen met een oproep aan een puber “om samen plezier te hebben”, een blogbericht getiteld “Welkom puber” met het telefoonnummer van [appellant] en een oproep aan een “leuke jongen” om te “chillen bij [appellant] thuis”, twitterberichten waarin [appellant] het heeft over het uittrekken van “puberboxers”, het “leren genieten van ontluikend groen” en “lieve pubertjes” uitnodigt een “nachtje bij [appellant] te reserveren”, en een televisie-interview waarin [appellant] opmerkt dat kinderen vanzelf naar hem toekomen waar hij ook komt (prod. 11, 14, 15, 16 en 17). Weliswaar moet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de column worden gelet op de omstandigheden ten tijde van het verschijnen ervan, maar uit latere feiten of omstandigheden kunnen wel aanwijzingen worden geput over de situatie ten tijde van de publicatie en deze kunnen een kleuring geven aan de beoordeling van de rechtmatigheid. Dat [appellant] niet de bedoeling heeft (gehad) te provoceren, zoals hij stelt, maar slechts zaken wil aankaarten, doet er niet aan af dat zijn gedragingen redelijkerwijs als provocerend kunnen worden opgevat. De bewoordingen “zuigt, ettert en daagt uit” acht het hof in de gegeven omstandigheden om dezelfde redenen evenmin onrechtmatig.

13. De bewoordingen van de column “hij is ziek, zwak en zielig” acht het hof niet nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Deze woorden worden gevolgd door de zin: “Hij verwijt de buurtbewoners het koesteren van ‘onderbuikgevoelens’, kan niet tegen stress maar wijst elk gesprek en elk aanbod dat zou kunnen leiden tot verbetering van zijn welzijn consequent af.” De columnist verwijst kennelijk naar het meergenoemde op [datum 2] verschenen [krant 2] interview met de kop: “Mijn lichaam is kapot. Ik kan niet tegen die stress”. In dat interview zegt [appellant] onder meer: “Ik ben gedotterd. Ik heb diabetes, slaapapneu, artritis en artrose. Mijn lichaam is kapot. Ik ben al bijna dood. Ik kan niet tegen die stress.” De strekking van de gewraakte passages uit de column is kennelijk dat [appellant] zich volgens de columnist als slachtoffer presenteert, hetgeen volgens de columnschrijver niet strookt met het consequent afwijzen van elk gesprek of aanbod dat zou kunnen leiden tot verbetering van zijn welzijn. De columnist gebruikt de ironische / sarcastische bewoordingen “hij is ziek, zwak en zielig” dan ook om een punt te maken terwijl voorts niet kan worden gezegd dat de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven tot die bewoordingen.

14. De woorden “gehaaide manipulators”, hoewel ongetwijfeld beledigend, acht het hof evenmin te ver gaan tegen de achtergrond van het te hanteren toetsingskader zoals weergegeven onder 5 en 6 en de omstandigheden zoals vermeld onder 7 en 9 tot en met 13.

15. De zinsnede “Ik wil niet denken aan waar hij naar zit te gluren” moge suggestief zijn en het woord gluren mag een negatieve connotatie hebben, een en ander maakt niet dat in de te maken belangenafweging het recht op bescherming van privacy, eer en goede naam van [appellant] in die zin voorrang heeft op het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] / [X] dat het schrijven van deze zinsnede onrechtmatig moet worden geacht. Het hof verwijst naar het te hanteren toetsingskader zoals hiervoor weergegeven onder 5 en 6 en de omstandigheden die zijn vermeld onder 7 en 9 tot en met 13.

16. Ook wanneer de column, de inhoud en bewoordingen ervan als geheel worden beschouwd kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat daarmee de in dit geding aan de orde zijnde grens wordt overschreden. Het hof verenigt zich voor het overige met de overwegingen van de kantonrechter onder 5.5 en 5.6 en neemt die over.